📐 Leerplandoelen

Wijzigingen in de leerplandoelen

Officiële leerplannen worden af en toe bijgewerkt door het schoolnet. Hier vind je per vak precies wat er geschrapt, toegevoegd of herschreven is.

📅 Vergeleken: leerplanversie van 05/08/2026 → 16/09/2026 (Op·stap, leerplanversie V1.2)
Wat betekent dit voor jouw school? Als je al een eigen leerdoel gekoppeld had aan een leerplancode die hier als geschrapt staat, blijft dat leerdoel — en alle observaties erop — gewoon bestaan. Enkel de extra info (domein/leerjaar) bij dat leerplandoel verdwijnt. Wil je het leerdoel afstemmen op het huidige leerplan, koppel het dan gewoon opnieuw aan een ander toepasselijk leerplandoel via Beheer → Leerdoelen of Beheer → Thema's.

Geschrapt 5

Deze leerplandoelen staan niet meer in de huidige versie van het leerplan.

CodeDoel
2.1.GK3.6De leerlingen kennen het begrip: het getal [F].
2.2.GL2.10De leerlingen kennen het gelijkheidsteken als aanduiding voor een wiskundige gelijkheid [I] [H1].
2.2.GL6.7De leerling kent de rekenvolgorde van links naar rechts [I] [H5].
2.4.GK2.4De leerlingen kunnen herhalende patronen herkennen [H1].
2.4.GK3.7De leerlingen kunnen herhalende patronen herkennen [H2].

Nieuw toegevoegd 12

Deze leerplandoelen zijn nieuw in de huidige versie.

CodeDoel
2.2.GL1.28De leerlingen kennen de wiskundige notaties: +, -, ( ), =, ≠ [F].
2.2.GL1.29De leerlingen kennen de begrippen: optellen, aftrekken, plus, min, termen, de som, het verschil, aanvullen tot/wegdoen tot [F].
2.2.GL1.30De leerlingen kennen de begrippen: van plaats wisselen [F].
2.2.GL1.31De leerlingen kennen de begrippen: splitsen en verdelen [F].
2.2.GL2.100De leerlingen kennen de wiskundige notaties: ×, : [F].
2.2.GL2.101De leerlingen kennen de begrippen: vermenigvuldigen, delen, maal, keer, gedeeld door, het product, het quotiënt, de rest, factoren [F].
2.2.GL2.102De leerlingen kennen de begrippen: omgekeerde bewerking, (aaneen)schakelen [F].
2.2.GL3.49De leerlingen kennen de begrippen: de aftrekker, het aftrektal, de vermenigvuldiger, het vermenigvuldigtal, de deler, het deeltal [F].
2.2.GL4.59De leerlingen kennen de begrippen: de opgaande deling, de niet-opgaande deling.
2.2.GL5.51De leerlingen kennen het begrip: compenseren [F].
2.4.GK2.26De leerlingen kunnen bij een herhalend patroon een ontbrekend element opvullen.
2.4.GK3.99De leerlingen kunnen rijen maken met een afgesproken eenheid.

Herschreven 71

De code blijft dezelfde, maar de tekst is aangepast (bv. terminologie, bereik of duidelijkere formulering).

CodeOude tekstNieuwe tekst
2.1.GJK.9De leerlingen kennen de één-op-één relatie (correspondentie) tussen een aantal objecten (tot en met 5) en de overeenkomstige telwoorden (synchroon tellen) [I].De leerlingen kennen de één-één relatie (correspondentie) tussen een aantal objecten (tot en met 5) en de overeenkomstige telwoorden (synchroon tellen) [I].
2.1.GJK.12De leerlingen kunnen (on)gestructureerde aantallen tot en met 5 m.b.v. de één-op-één relatie (correspondentie) vergelijken.De leerlingen kunnen (on)gestructureerde aantallen tot en met 5 m.b.v. de één-één relatie (correspondentie) vergelijken.
2.1.GK2.7De leerlingen kennen de één-op-één relatie (correspondentie) tussen een aantal objecten en de overeenkomstige telwoorden (synchroon tellen) [I].De leerlingen kennen de één-één relatie (correspondentie) tussen een aantal objecten en de overeenkomstige telwoorden (synchroon tellen) [I].
2.1.GK2.10De leerlingen kunnen (on)gestructureerde aantallen tot en met 10 m.b.v. de één-op-één relatie (correspondentie) vergelijken.De leerlingen kunnen (on)gestructureerde aantallen tot en met 10 m.b.v. de één-één relatie (correspondentie) vergelijken.
2.1.GK3.9De leerlingen kennen de één-op-één relatie (correspondentie) tussen een aantal objecten en de overeenkomstige telwoorden (synchroon tellen) [I].De leerlingen kennen de één-één relatie (correspondentie) tussen een aantal objecten en de overeenkomstige telwoorden (synchroon tellen) [I] [H2].
2.1.GK3.13De leerlingen kunnen (on)gestructureerde aantallen tot en met 10 m.b.v. de één-op-één relatie (correspondentie) vergelijken [H1].De leerlingen kunnen (on)gestructureerde aantallen tot en met 10 m.b.v. de één-één relatie (correspondentie) vergelijken [H1].
2.1.GL3.19De leerlingen kennen de begrippen: de teller, de noemer, het geheel, de breukstreep, de breuk (…/…) [F].De leerlingen kennen de begrippen: de teller, de noemer, het geheel, de breukstreep, de breuk [F].
2.1.GL3.31De leerlingen kennen de volgende begrippen en wiskundige notaties: E, T, H, D• =, ≠, <, > (tussen getallen), het cijfer (de symbolen 0 tot en met 9), het getal (één- of meercijferig), het aantal, de rangorde, de getallenas, afronden, deelbaar, de deler, de rest, het veelvoud, even en oneven.De leerlingen kennen de begrippen en wiskundige notaties: E, T, H, D, =, ≠, <, > (tussen getallen), het cijfer (de symbolen 0 tot en met 9), het getal (één- of meercijferig), het aantal, de rangorde, de getallenas, afronden, deelbaar, de deler, de rest, het veelvoud, even en oneven [F].
2.1.GL4.41De leerlingen kunnen ongelijknamige breuken vergelijken, ordenen en plaatsen op de getallenas.De leerlingen kunnen ongelijknamige breuken (waarbij de noemer ≤ 20 of breuken die te vereenvoudigen zijn tot deze breuken) vergelijken, ordenen en plaatsen op de getallenas.
2.1.GL4.42De leerlingen kunnen breuken vereenvoudigen en gelijknamig maken, waarbij naar eenvoudige breuken wordt gestreefd.De leerlingen kunnen breuken (waarbij de noemer ≤ 20 of breuken die te vereenvoudigen zijn tot deze breuken) vereenvoudigen en gelijknamig maken, waarbij naar eenvoudige breuken wordt gestreefd.
2.1.GL4.52De leerlingen kennen de begrippen en wiskundige notaties: E, T, H, D, TD, =, ≠, <, >, ≤, ≥ (tussen getallen), het cijfer (de symbolen 0 tot en met 9), het getal (één- of meercijferig), het aantal, de rangorde, de getallenas, afronden, deelbaar, de deler, de rest, het veelvoud, even en oneven [F].De leerlingen kennen de begrippen en wiskundige notaties: E, T, H, D, TD, =, ≠, <, > (tussen getallen), het cijfer (de symbolen 0 tot en met 9), het getal (één- of meercijferig), het aantal, de rangorde, de getallenas, afronden, deelbaar, de deler, de rest, het veelvoud, even en oneven [F].
2.1.GL6.1De leerling kent de begrippen en de wiskundige notaties: tienmmiljoentallen (TM), honderdmiljoentallen (HM) en miljardtallen (Md) [F].De leerling kent de begrippen en de wiskundige notaties: tienmiljoentallen (TM), honderdmiljoentallen (HM) en miljardtallen (Md) [F].
2.2.GL2.2De leerlingen kennen het vermenigvuldigen als keerhandeling, rooster, vergelijking [I].De leerlngen kennen het vermenigvuldigen als keerhandeling, rooster, vergelijking
2.2.GL3.46De leerlingen kunnen cijferalgoritmes voor optellen en aftrekken gebruiken voor natuurlijke getallen tot en met 1 000.De leerlingen kunnen cijferalgoritmes voor optellen en aftrekken gebruiken voor natuurlijke getallen tot en met 1000.
2.2.GL4.34De leerlingen kunnen optellingen en aftrekkingen tot 1000 inzetten bij het optellen en aftrekken tot 10 000.De leerlingen kunnen optellingen en aftrekkingen ≤ 1000 inzetten bij het optellen en aftrekken tot 10 000.
2.2.GL4.35De leerlingen kunnen decimale getallen tot op 1 h optellen en aftrekken door de tweede term te splitsen volgens het plaatswaardesysteem.De leerlingen kunnen decimale getallen tot op 1 honderdste optellen en aftrekken door de tweede term te splitsen volgens het plaatswaardesysteem.
2.2.GL4.36De leerlingen kunnen decimale getallen tot op 1 h vermenigvuldigen met een natuurlijk getal op basis van de herhaalde optelling.De leerlingen kunnen decimale getallen tot op 1 honderdste vermenigvuldigen met een natuurlijk getal op basis van de herhaalde optelling.
2.2.GL4.54De leerlingen kunnen (on)gelijknamige breuken (noemer ≤ 20) optellen en aftrekken.De leerlingen kunnen (on)gelijknamige breuken (met noemer ≤ 20 of breuken die te vereenvoudigen zijn tot deze breuken) optellen en aftrekken.
2.2.GL5.17De leerlingen kunnen voor natuurlijke getallen ≤ 10 000, optellen en aftrekken door de tweede term te splitsen in opeenvolgende rangen.De leerlingen kunnen voor natuurlijke getallen ≤ 10 000 en grotere getallen met eindnullen, optellen en aftrekken door de tweede term te splitsen in opeenvolgende rangen.
2.2.GL5.18De leerlingen kunnen voor natuurlijke getallen ≤ 10 000, vermenigvuldigingen uitvoeren op basis van de distributiviteit.De leerlingen kunnen voor natuurlijke getallen ≤ 10 000 en grotere getallen met eindnullen, vermenigvuldigingen uitvoeren op basis van de distributiviteit.
2.2.GL5.19De leerlingen kunnen voor natuurlijke getallen ≤ 10 000, opgaande en niet-opgaande delingen uitvoeren door het deeltal te splitsen in een som en de distributiviteit toe te passen.De leerlingen kunnen voor natuurlijke getallen ≤ 10 000 en grotere getallen met eindnullen, opgaande en niet-opgaande delingen uitvoeren door het deeltal te splitsen in een som en de distributiviteit toe te passen.
2.2.GL5.20De leerlingen kunnen decimale getallen tot op 1 d optellen en aftrekken door de tweede term te splitsen in opeenvolgende rangen.De leerlingen kunnen decimale getallen tot op 1 duizendste optellen en aftrekken door de tweede term te splitsen in opeenvolgende rangen.
2.2.GL5.21De leerlingen kunnen decimale getallen tot op 1 d vermenigvuldigen met een natuurlijk getal op basis van de keerhandeling.De leerlingen kunnen decimale getallen tot op 1 duizendste vermenigvuldigen met een natuurlijk getal op basis van de keerhandeling.
2.2.GL5.22De leerlingen kunnen decimale getallen tot op 1 d delen door een natuurlijk getal op basis van de verdelingsdeling.De leerlingen kunnen decimale getallen tot op 1 duizendste delen door een natuurlijk getal op basis van de verdelingsdeling.
2.2.GL5.35De leerlingen kennen de basisregel voor het optellen en aftrekken van (on)gelijknamige breuken (noemer ≤ 100) [I/F].De leerlingen kennen de basisregel voor het optellen en aftrekken van (on)gelijknamige breuken (waarbij de noemer beperkt is tot en met 20 of breuken die te vereenvoudigen zijn tot deze breuken) [I/F].
2.2.GL5.36De leerlingen kennen de basisregel voor het vermenigvuldigen van (oneigenlijke) breuken (noemer ≤ 100): (breuk x breuk) [I/F].De leerlingen kennen de basisregel voor het vermenigvuldigen van (oneigenlijke) breuken: (breuk x breuk), (waarbij de noemer beperkt is tot en met 20 of breuken die te vereenvoudigen zijn tot deze breuken) [I/F].
2.2.GL5.37De leerlingen kunnen (on)gelijknamige breuken (noemer ≤ 100) optellen en aftrekken.De leerlingen kunnen (on)gelijknamige breuken (waarbij de noemer beperkt is tot en met 20 of breuken die te vereenvoudigen zijn tot deze breuken) optellen en aftrekken.
2.2.GL5.38De leerlingen kunnen (oneigenlijke) breuken (noemer ≤ 100) vermenigvuldigen.De leerlingen kunnen (oneigenlijke) breuken (waarbij de noemer beperkt is tot en met 20 of breuken die te vereenvoudigen zijn tot deze breuken) vermenigvuldigen.
2.2.GL6.21De leerling kan optellen en aftrekken door de tweede term te splitsen in opeenvolgende rangen [H2].De leerling kan voor natuurlijke getallen ≤ 10 000 en grotere getallen met eindnullen, optellen en aftrekken door de tweede term te splitsen in opeenvolgende rangen [H2].
2.2.GL6.22De leerling kan vermenigvuldigingen uitvoeren op basis van de distributiviteit [H1].De leerling kan voor natuurlijke getallen ≤ 10 000 of grotere getallen met eindnullen, vermenigvuldigingen uitvoeren op basis van de distributiviteit [H1].
2.2.GL6.23De leerling kan opgaande en niet-opgaande delingen uitvoeren door het deeltal te splitsen in een som en de distributiviteit toe te passen [H1].De leerling kan voor natuurlijke getallen ≤ 10 000 of grotere getallen met eindnullen, opgaande en niet-opgaande delingen uitvoeren door het deeltal te splitsen in een som en de distributiviteit toe te passen [H1].
2.2.GL6.24De leerling kan decimale getallen tot op 1 d optellen en aftrekken door de tweede term te splitsen in opeenvolgende rangen [H1].De leerling kan decimale getallen tot op 1 duizendste optellen en aftrekken door de tweede term te splitsen in opeenvolgende rangen [H1].
2.2.GL6.25De leerling kan decimale getallen tot op 1 d vermenigvuldigen met een natuurlijk getal op basis van de keerhandeling [H1].De leerling kan decimale getallen tot op 1 duizendste vermenigvuldigen met een natuurlijk getal op basis van de keerhandeling [H1].
2.2.GL6.26De leerling kan decimale getallen tot op 1 d delen door een natuurlijk getal op basis van de verdelingsdeling [H1].De leerling kan decimale getallen tot op 1 duizendste delen door een natuurlijk getal op basis van de verdelingsdeling [H1].
2.2.GL6.41De leerling kent de basisregel voor het optellen en aftrekken van (on)gelijknamige breuken (noemer ≤ 100) [I/F] [H1].De leerling kent de basisregel voor het optellen en aftrekken van (on)gelijknamige breuken (waarbij de noemer beperkt is tot en met 20 of breuken die te vereenvoudigen zijn tot deze breuken) [I/F] [H1].
2.2.GL6.42De leerling kent de basisregel voor het vermenigvuldigen van (oneigenlijke) breuken (noemer ≤ 100): (breuk x breuk) [I/F] [H1].De leerling kent de basisregel voor het vermenigvuldigen van (oneigenlijke) breuken: (breuk x breuk) (waarbij de noemer beperkt is tot en met 20 of breuken die te vereenvoudigen zijn tot deze breuken) [I/F] [H1].
2.2.GL6.43De leerling kent de basisregel voor het delen van (oneigenlijke) breuken (noemer ≤ 100): (breuk : breuk) [I/F].De leerling kent de basisregel voor het delen van (oneigenlijke) breuken: (breuk : breuk) (waarbij de noemer beperkt is tot en met 20 of breuken die te vereenvoudigen zijn tot deze breuken) [I/F].
2.2.GL6.44De leerling kent de drie basisregels die bewerkingen met breuken (noemer ≤ 100) samenvatten: optellen en aftrekken van (on)gelijknamige breuken, breuk x breuk en breuk : breuk [I/F].De leerling kent de drie basisregels die bewerkingen met breuken ( waarbij de noemer beperkt is tot en met 20 of breuken die te vereenvoudigen zijn tot deze breuken) samenvatten: optellen en aftrekken van (on)gelijknamige breuken, breuk x breuk en breuk : breuk [I/F].
2.2.GL6.45De leerling kan de drie basisregels toepassen om bewerkingen met breuken (noemer ≤ 100), uit te voeren.De leerling kan de drie basisregels toepassen om bewerkingen met breuken (waarbij de noemer beperkt is tot en met 20 of breuken die te vereenvoudigen zijn tot deze breuken), uit te voeren.
2.2.GL6.46De leerling kan (on)gelijknamige breuken (noemer ≤ 100) optellen en aftrekken [H1].De leerling kan (on)gelijknamige breuken (waarbij de noemer beperkt is tot en met 20 of breuken die te vereenvoudigen zijn tot deze breuken) optellen en aftrekken [H1].
2.2.GL6.47De leerling kan breuken (noemer ≤ 100) vermenigvuldigen [H1].De leerling kan breuken (waarbij de noemer beperkt is tot en met 20 of breuken die te vereenvoudigen zijn tot deze breuken) vermenigvuldigen [H1].
2.2.GL6.48De leerling kan breuken (noemer ≤ 100) delen.De leerling kan breuken (waarbij de noemer beperkt is tot en met 20 of breuken die te vereenvoudigen zijn tot deze breuken) delen.
2.3.GL5.1De leerlingen kennen het inzicht dat we geen objecten, maar grootheden (zoals lengte, inhoud, massa) van objecten meten [I] [H4].De leerlingen kennen het inzicht dat we geen objecten, maar grootheden (zoals lengte, inhoud, massa) van objecten meten, toegepast op nieuwe grootheden[I] [H4].
2.3.GL5.2De leerlingen kennen het inzicht dat meten het bepalen van een verhouding is: bij een meting gaan we na hoe vaak de maateenheid in de te meten grootheid gaat [I] [H4].De leerlingen kennen het inzicht dat meten het bepalen van een verhouding is: bij een meting gaan we na hoe vaak de maateenheid in de te meten grootheid gaat, toegepast op nieuwe grootheden [I] [H4].
2.3.GL5.5De leerlingen kennen de noodzakelijkheid van standaardmaten voor het eenduidig uitvoeren en vergelijken van metingen voor lengte, inhoud en massa [I] [H4].De leerlingen kennen de noodzakelijkheid van standaardmaten voor het eenduidig uitvoeren en vergelijken van metingen voor lengte, inhoud en massa, toegepast op nieuwe grootheden [I] [H4].
2.3.GL5.6De leerlingen kennen het inzicht dat hoe kleiner de maateenheid is, hoe groter het maatgetal bij eenzelfde meting is (en omgekeerd) [I] [H3].De leerlingen kennen het inzicht dat hoe kleiner de maateenheid is, hoe groter het maatgetal bij eenzelfde meting is (en omgekeerd), toegepast op nieuwe grootheden [I] [H3].
2.3.GL5.7De leerlingen kennen het inzicht dat elk meetresultaat een benadering is; verfijning van maten leidt tot nauwkeuriger meten [I] [H3].De leerlingen kennen het inzicht dat elk meetresultaat een benadering is; verfijning van maten leidt tot nauwkeuriger meten, toegepast op nieuwe grootheden [I] [H3].
2.3.GL5.9De leerlingen kennen het inzicht dat om meetresultaten te vergelijken, het nodig is dat we ze in dezelfde maateenheid uitdrukken [I] [H2].De leerlingen kennen het inzicht dat om meetresultaten te vergelijken, het nodig is dat we ze in dezelfde maateenheid uitdrukken, toegepast op nieuwe grootheden [I] [H2].
2.3.GL6.1De leerling kent het inzicht dat we geen objecten, maar grootheden (zoals lengte, inhoud, massa) van objecten meten [I] [H5].De leerling kent het inzicht dat we geen objecten, maar grootheden (zoals lengte, inhoud, massa) van objecten meten, toegepast op nieuwe grootheden [I] [H5].
2.3.GL6.2De leerling kent het inzicht dat meten het bepalen van een verhouding is: bij een meting gaan we na hoe vaak de maateenheid in de te meten grootheid gaat [I] [H5].De leerling kent het inzicht dat meten het bepalen van een verhouding is: bij een meting gaan we na hoe vaak de maateenheid in de te meten grootheid gaat, toegepast op nieuwe grootheden [I] [H5].
2.3.GL6.3De leerling kent het principe dat een meting aangeeft in welke mate een bepaalde grootheid aanwezig is, waardoor metingen gerangschikt kunnen worden [I] [H5].De leerling kent het principe dat een meting aangeeft in welke mate een bepaalde grootheid aanwezig is, waardoor metingen gerangschikt kunnen worden, toegepast op nieuwe grootheden [I] [H5].
2.3.GL6.4De leerling kent het principe van conservatie: sommige handelingen veranderen de lengte, inhoud of massa van een object niet, ook al lijkt dat op het eerste gezicht wel zo [I] [H5].De leerling kent het principe van conservatie: sommige handelingen veranderen de lengte, inhoud of massa van een object niet, ook al lijkt dat op het eerste gezicht wel zo, toegepast op nieuwe grootheden [I] [H5].
2.3.GL6.5De leerling kent de noodzakelijkheid van standaardmaten voor het eenduidig uitvoeren en vergelijken van metingen voor lengte, inhoud en massa [I] [H5].De leerling kent de noodzakelijkheid van standaardmaten voor het eenduidig uitvoeren en vergelijken van metingen voor lengte, inhoud en massa, toegepast op nieuwe grootheden [I] [H5].
2.3.GL6.6De leerling kent het inzicht dat hoe kleiner de maateenheid is, hoe groter het maatgetal bij eenzelfde meting is (en omgekeerd) [I] [H4].De leerling kent het inzicht dat hoe kleiner de maateenheid is, hoe groter het maatgetal bij eenzelfde meting is (en omgekeerd), toegepast op nieuwe grootheden [I] [H4].
2.3.GL6.7De leerling kent het inzicht dat elk meetresultaat een benadering is; verfijning van maten leidt tot nauwkeuriger meten [I] [H4].De leerling kent het inzicht dat elk meetresultaat een benadering is; verfijning van maten leidt tot nauwkeuriger meten, toegepast op nieuwe grootheden [I] [H4].
2.3.GL6.9De leerling kent het inzicht dat om meetresultaten te vergelijken, het nodig is dat we ze in dezelfde maateenheid uitdrukken [I] [H3].De leerling kent het inzicht dat om meetresultaten te vergelijken, het nodig is dat we ze in dezelfde maateenheid uitdrukken, toegepast op nieuwe grootheden [I] [H3].
2.3.GL6.10De leerling kent het onderscheid tussen een verhoudingsmeting (lengte, massa, tijdsduur) en een intervalmeting (temperatuur en tijdstip) [I] [H1].De leerling kent het onderscheid tussen een verhoudingsmeting (lengte, massa, tijdsduur) en een intervalmeting (temperatuur en tijdstip), toegepast op nieuwe grootheden [I] [H1].
2.4.GJK.2De leerlingen kunnen herhalende patronen herkennen.De leerlingen kunnen een herhalend patroon herkennen en namaken.
2.4.GJK.3De leerlingen kunnen herhalende patronen namaken, verderzetten en opvullen.De leerlingen kunnen een herhalend patroon herkennen en verderzetten.
2.4.GK2.5De leerlingen kunnen herhalende patronen namaken, verderzetten en opvullen [H1].De leerlingen kunnen een herhalend patroon herkennen, namaken, verderzetten [H1].
2.4.GK2.6De leerlingen kunnen bij een herhalend patroon de patrooneenheid herkennen en beschrijven.De leerlingen kunnen bij een herhalend patroon de patrooneenheid benoemen.
2.4.GK2.7De leerlingen kunnen patronen hanteren door rijen te maken met een afgesproken eenheid.De leerlingen kunnen een rij maken met een afgesproken eenheid.
2.4.GK3.8De leerlingen kunnen herhalende patronen namaken, verderzetten en opvullen [H2].De leerlingen kunnen herhalende patronen herkennen, (na)maken, verderzetten en opvullen [H1].
2.4.GK3.9De leerlingen kunnen bij een herhalend patroon de patrooneenheid herkennen en beschrijven [H1].De leerlingen kunnen bij een herhalend patroon de patrooneenheid benoemen [H1].
2.4.GL1.10De leerlingen kunnen herhalende patronen met meetkundige objecten/figuren namaken, verderzetten en opvullen [H3].De leerlingen kunnen herhalende patronen met meetkundige objecten/figuren namaken, verderzetten en opvullen.
2.4.GL1.11De leerlingen kunnen bij een herhalend patroon de patrooneenheid herkennen en beschrijven [H2].De leerlingen kunnen bij een herhalend patroon de patrooneenheid benoemen [H2].
2.4.GL2.7De leerlingen kunnen herhalende patronen met meetkundige objecten/figuren namaken, verderzetten en opvullen [H4].De leerlingen kunnen herhalende patronen met meetkundige objecten/figuren namaken, verderzetten en opvullen [H1].
2.4.GL2.8De leerlingen kunnen bij een herhalend patroon de patrooneenheid herkennen en beschrijven [H3].De leerlingen kunnen bij een herhalend patroon de patrooneenheid benoemen [H3].
2.4.GL4.36De leerlingen kunnen herhalende en veranderende patronen hanteren voor meetkundige objecten/figuren: patronen herkennen, beschrijven, maken, verderzetten en opvullen.De leerlingen kunnen herhalende en veranderende patronen hanteren voor meetkundige objecten/figuren: patronen herkennen, beschrijven, maken, verderzetten en opvullen. (exacte nieuwe formulering nog te bevestigen — PDF-extractie voor dit doel was niet volledig eenduidig)
2.6.GK2.1De leerlingen kunnen wiskundige problemen in spel- en leersituaties oplossen door concreet materiaal te gebruiken en verschillende oplossingswegen te verkennen.De leerlingen kunnen wiskundige problemen in spel- en leersituaties oplossen door concreet materiaal te gebruiken en verschillende oplossingswegen samen te verkennen.
2.6.GK3.1De leerlingen kunnen, in spel- en leersituaties, problemen oplossen door wiskundige elementen te gebruiken, verschillende oplossingswegen te verkennen, concreet materiaal in te zetten en hun ideeën met anderen te delen.De leerlingen kunnen problemen in spel- en leersituaties oplossen gebruikmakend van wiskundige elementen door op zoek te gaan naar manieren om een probleem op te lossen, ook als er meerdere oplossingen zijn, door concreet materiaal te gebruiken en hun ideeën te delen met anderen.
📅 Vergeleken: leerplanversie van 05/08/2026 → 16/09/2026 (Op·stap, leerplanversie V1.2)
Wat betekent dit voor jouw school? Als je al een eigen leerdoel gekoppeld had aan een leerplancode die hier als geschrapt staat, blijft dat leerdoel — en alle observaties erop — gewoon bestaan. Enkel de extra info (domein/leerjaar) bij dat leerplandoel verdwijnt. Wil je het leerdoel afstemmen op het huidige leerplan, koppel het dan gewoon opnieuw aan een ander toepasselijk leerplandoel via Beheer → Leerdoelen of Beheer → Thema's.

Geschrapt 18

Deze leerplandoelen staan niet meer in de huidige versie van het leerplan.

CodeDoel
1.2.GL1.21De leerlingen kunnen tweelettergrepige woorden met be-, ge-, ver- decoderen.
1.2.GL5.9De leerlingen kunnen de betrouwbaarheid van een tekst beoordelen.
1.2.GL6.9De leerling kan de betrouwbaarheid van een tekst beoordelen.
1.3.GK3.5De leerlingen kunnen spiralen tekenen.
1.3.GK3.8De leerlingen kunnen schrijfpatronen schrijven binnen liniatuur.
1.3.GL3.2De leerlingen kunnen kleine letters in verbonden schrift schrijven in de juiste rompverhouding.
1.3.GL3.3De leerlingen weten waar ze elke letter moeten beginnen en eindigen, zodat de letters netjes aan elkaar verbonden worden in hun handschrift.
1.4.GL5.5De leerling kan de betrouwbaarheid van een tekst beoordelen.
1.4.GL6.5De leerling kan de betrouwbaarheid van een tekst beoordelen.
1.6.GK2.7De leerlingen kunnen verwoorden wat zij leuk, spannend of fijn vonden aan een verhaal.
1.6.GK3.6De leerlingen kunnen vertellen wat hen opviel in een verhaal.
1.6.GL1.10De leerlingen kunnen vertellen wat zij belangrijk vonden in een verhaal.
1.6.GL2.11De leerlingen kunnen verwoorden wat zij zouden doen in de plaats van een personage.
1.6.GL3.11De leerlingen kunnen hun interpretatie van personages toelichten.
1.6.GL4.8De leerlingen kunnen belangrijke informatie uit de tekst herkennen en verwoorden waar die bij hoort.
1.6.GL4.9De leerlingen kunnen verschillende interpretaties van een verhaal bespreken.
1.6.GL5.6De leerlingen kunnen inzichten uit een literair gesprek samenvatten.
1.6.GL6.6De leerling kan zijn/haar interpretatie bijstellen op basis van een literair gesprek.

Nieuw toegevoegd 11

Deze leerplandoelen zijn nieuw in de huidige versie.

CodeDoel
1.2.GL2.39De leerlingen kunnen tweelettergrepige woorden met -uw decoderen.
1.2.GL2.40De leerlingen kunnen tweelettergrepige woorden met be-, ge-, ver- decoderen.
1.2.GL3.33De leerlingen kunnen woorden met sj decoderen.
1.3.GK3.16De leerlingen kunnen schrijfpatronen maken binnen liniatuur.
1.3.GL2.39De leerlingen kunnen een juiste spatiëring tussen woorden hanteren.
1.3.GL4.35De leerlingen kunnen samenstellingen spellen.
1.5.GL3.30De leerlingen kunnen frequente verkleinwoorden met -etje, -nkje vormen.
1.5.GL4.38De leerlingen kunnen verkleinwoorden met -aatje, -ootje, -uutje vormen.
1.5.GL6.21De leerling kan onregelmatige verkleinwoorden vormen.
1.5.GL6.22De leerling kan meervouden van grondwoorden op -ie en -ee vormen.
1.5.GL6.23De leerling kan afwijkende meervouden vormen.

Herschreven 44

De code blijft dezelfde, maar de tekst is aangepast (bv. terminologie, bereik of duidelijkere formulering).

CodeOude tekstNieuwe tekst
1.1.PF1.4De leerling merkt op dat zijn gedrag een reactie uitlokt bij de ander.De leerling merkt op dat zijn/haar gedrag een reactie uitlokt bij de ander.
1.1.PF1.14De leerling voelt zich in zijn communicatie bevestigd doordat zijn lichaamsgebonden signalen zoals ademhalingsveranderingen, fysiologische signalen zoals kwijlen, ritmische bewegingen, micro-expressies, spierspanning door de leraar worden opgemerkt, geïnterpreteerd en beantwoord.De leerling voelt zich in zijn/haar communicatie bevestigd doordat lichaamsgebonden signalen zoals spanning, ademhalingsveranderingen en fysiologische signalen door de leraar worden opgemerkt, geïnterpreteerd en beantwoord.
1.1.PF3.2De leerling kan kort aandacht verplaatsen van een activiteit naar de spreker na het horen van zijn naam.De leerling kan kort aandacht verplaatsen van een activiteit naar de spreker na het horen van zijn/haar naam.
1.2.GL1.5De leerlingen kunnen klankzuiver km, mk, mkm woorden decoderen.De leerlingen kunnen klankzuivere km, mk, mkm woorden decoderen.
1.2.GL1.7De leerlingen kunnen een- en tweelettergrepige woorden met tweetekenklanken ie, oe, eu, ui decoderen.De leerlingen kunnen een- en tweelettergrepige woorden met tweetekenklinkers ie, oe, eu, ui decoderen.
1.2.GL1.8De leerlingen kunnen een- en tweelettergrepige woorden met tweetekenklanken ei, ij decoderen.De leerlingen kunnen een- en tweelettergrepige woorden met tweetekenklinkers ei, ij decoderen.
1.2.GL1.9De leerlingen kunnen een- en tweelettergrepige woorden met tweetekenklanken ou, au decoderen.De leerlingen kunnen een- en tweelettergrepige woorden met tweetekenklinkers ou, au decoderen.
1.2.GL1.13De leerlingen kunnen eenlettergrepige woorden met -ch, -cht, -g, -gt decoderen.De leerlingen kunnen eenlettergrepige woorden met -ch, -cht decoderen.
1.2.GL1.22De leerlingen kunnen eenlettergrepige woorden met achteraan -d, -t, -p, -b decoderen.De leerlingen kunnen eenlettergrepige woorden met achteraan -d, -b decoderen.
1.2.GL2.4De leerlingen kunnen twee- en drielettergrepige woorden met tweetekenklanken oe, eu, ui decoderen.De leerlingen kunnen twee- en drielettergrepige woorden met tweetekenklinkers ie, oe, eu, ui decoderen.
1.2.GL2.5De leerlingen kunnen twee- en drielettergrepige woorden met tweetekenklanken ei, ij decoderen.De leerlingen kunnen twee- en drielettergrepige woorden met tweetekenklinkers ei, ij decoderen.
1.2.GL2.6De leerlingen kunnen twee- en drielettergrepige woorden met tweetekenklanken ou, au decoderen.De leerlingen kunnen twee- en drielettergrepige woorden met tweetekenklinkers ou, au decoderen.
1.2.GL2.10De leerlingen kunnen tweelettergrepige woorden met -ch, -cht, -g, -gt decoderen.De leerlingen kunnen tweelettergrepige woorden met -ch, -cht decoderen.
1.2.GL4.8De leerlingen kunnen vakspecifieke woorden uit het Latijns of Grieks decoderen.De leerlingen kunnen vakspecifieke woorden uit het Latijn of Grieks decoderen.
1.2.GL5.13De leerlingen kunnen met ondersteuning zich oriënteren op het lezen, tot leesbegrip komen en het lezen bijsturen door indien nodig relevante leesstrategieën te selecteren en te gebruiken.De leerlingen kunnen zich met ondersteuning oriënteren op het lezen, tot leesbegrip komen en het lezen bijsturen door indien nodig relevante leesstrategieën te selecteren en te gebruiken.
1.2.GL5.14De leerlingen kunnen doelen van teksten verwoorden aan de hand van tekstkenmerken.De leerlingen kunnen doelen van teksten analyseren aan de hand van tekstkenmerken.
1.2.GL6.11De leerling kan beoordelen hoe een tekst zijn standpunt wel of niet beïnvloedt.De leerling kan beoordelen hoe een tekst zijn/haar standpunt wel of niet beïnvloedt.
1.2.GL6.14De leerling kan doelen van teksten verwoorden aan de hand van tekstkenmerken.De leerling kan doelen van teksten analyseren aan de hand van tekstkenmerken.
1.3.GK2.6De leerlingen kunnen een vierhoek tekenen.De leerlingen kunnen een vierhoek tekenen met gerichte richtingsveranderingen.
1.3.GK3.7De leerlingen kunnen een driehoek tekenen.De leerlingen kunnen een driehoek tekenen met gerichte richtingsveranderingen.
1.3.GL1.5De leerlingen kunnen kleine letters en leestekens, schrijven binnen een volledige liniatuur.De leerlingen kunnen kleine letters en leestekens, volgens een correcte route, schrijven binnen een volledige liniatuur.
1.3.GL1.6De leerlingen kunnen kleine letters in verbonden schrift schrijven, waarbij ze rechte en gebogen lijndelen correct toepassen.De leerlingen kunnen kleine letters in verbonden schrift schrijven met een juiste spatiëring binnen woorden.
1.3.GL2.5De leerlingen kunnen woorden schrijven waarbij de hoofdletters verbonden zijn aan de kleine letters.De leerlingen kunnen woorden schrijven waarbij de hoofdletters verbonden zijn aan de kleine letters met een juiste spatiëring binnen woorden.
1.3.GL2.25De leerlingen kunnen hoogfrequente verkleinwoorden met -je, -tje, -pje spellen.De leerlingen kunnen frequente verkleinwoorden met -je, -tje, -pje spellen.
1.3.GL3.1De leerlingen kunnen een juiste spatiëring tussen letters binnen woorden hanteren.De leerlingen kunnen een regelmatig handschrift hanteren met de juiste spatiëring binnen en tussen woorden.
1.3.GL3.11De leerlingen kunnen frequente woorden met uw spellen.De leerlingen kunnen frequente woorden met -uw spellen.
1.3.GL3.15De leerlingen kunnen frequente verkleinwoorden met -etje, -nkje spellen.De leerlingen kunnen frequente verkleinwoorden met -etje, -kje spellen.
1.3.GL5.15De leerlingen kunnen woorden met /sje/ als ch geschreven spellen.De leerlingen kunnen woorden met /sj/ als ch geschreven spellen.
1.3.GL5.16De leerlingen kunnen woorden met /zje/ als ge geschreven spellen.De leerlingen kunnen woorden met /zj/ als ge geschreven spellen.
1.3.GL5.17De leerlingen kunnen woorden met /zje/ als j geschreven spellen.De leerlingen kunnen woorden met /zj/ als j geschreven spellen.
1.3.GL5.23De leerlingen kunnen woorden op -heid , -teit, -tijd spellen.De leerlingen kunnen woorden op -heid, -teit spellen.
1.3.GL6.12De leerling kan meervouden op -ie en -ee spellen.De leerling kan meervouden van grondwoorden op -ie en -ee spellen.
1.3.GL6.13De leerling kan de afwijkende meervouden spellen.De leerling kan afwijkende meervouden spellen.
1.5.GL2.9De leerlingen kunnen uitgesproken klanken benoemen als de korte klinker, de lange klinker, de tweetekentekenklinker en de medeklinker.De leerlingen kunnen uitgesproken klanken benoemen als de korte klinker, de lange klinker, de tweetekenklinker en de medeklinker.
1.5.GL2.19De leerlingen kennen woorden: woordvormng: het verkleinwoord.De leerlingen kennen woorden: woordvorming: het verkleinwoord.
1.5.GL2.20De leerlingen kunnen veelvoorkomende verkleinwoorden vormen.De leerlingen kunnen frequente verkleinwoorden met -je, -tje, -pje vormen.
1.5.GL2.24De leerlingen kunnen veelvoorkomende enkelvouden en meervouden vormen.De leerlingen kunnen frequente meervouden vormen.
1.5.GL6.8De leerling kan zijn inzicht in het grondwoord, het voorvoegsel en/of het achtervoegsel toepassen om de betekenis van woorden af te leiden.De leerling kan zijn/haar inzicht in het grondwoord, het voorvoegsel en/of het achtervoegsel toepassen om de betekenis van woorden af te leiden.
1.5.GL6.9De leerling kan zijn inzicht in het grondwoord, het voorvoegsel en/of het achtervoegsel toepassen bij het lezen en spellen.De leerling kan zijn/haar inzicht in het grondwoord, het voorvoegsel en/of het achtervoegsel toepassen bij het lezen en spellen.
1.6.GL1.11De leerlingen kunnen op basis voor voorbeelden een eigen talige creatie maken.De leerlingen kunnen op basis van voorbeelden een eigen talige creatie maken.
1.6.GL2.12De leerlingen kunnen op basis voor voorbeelden een eigen talige creatie maken.De leerlingen kunnen op basis van voorbeelden een eigen talige creatie maken.
1.6.GL3.12De leerlingen kunnen op basis voor voorbeelden een eigen talige creatie maken.De leerlingen kunnen op basis van voorbeelden een eigen talige creatie maken.
1.6.GL4.10De leerlingen kunnen op basis voor voorbeelden een eigen talige creatie maken.De leerlingen kunnen op basis van voorbeelden een eigen talige creatie maken.
1.6.GL6.1De leerling kan voor hem een geschikt boek kiezen uit een variatie aan genres, passend bij het leesdoel en de eigen leesvoorkeur.De leerling kan voor hem/haar een geschikt boek kiezen uit een variatie aan genres, passend bij het leesdoel en de eigen leesvoorkeur.
📅 Vergeleken: leerplanversie van 05/08/2026 → 16/09/2026 (Op·stap, leerplanversie V1.2)
Wat betekent dit voor jouw school? Als je al een eigen leerdoel gekoppeld had aan een leerplancode die hier als geschrapt staat, blijft dat leerdoel — en alle observaties erop — gewoon bestaan. Enkel de extra info (domein/leerjaar) bij dat leerplandoel verdwijnt. Wil je het leerdoel afstemmen op het huidige leerplan, koppel het dan gewoon opnieuw aan een ander toepasselijk leerplandoel via Beheer → Leerdoelen of Beheer → Thema's.

Geschrapt 1

Deze leerplandoelen staan niet meer in de huidige versie van het leerplan.

CodeDoel
3.5.GL6.6De leerlingen kunnen voorbeelden geven van materialen die werken als geleider of isolator.

Nieuw toegevoegd 6

Deze leerplandoelen zijn nieuw in de huidige versie.

CodeDoel
3.5.GK3.12De leerlingen kennen geluid: hard, zacht.
3.5.GL5.10De leerlingen kunnen met ondersteuning natuurkundige verschijnselen onderzoeken met behulp van de onderzoekscyclus.
3.5.GL5.11De leerlingen kunnen met ondersteuning natuurkundige verschijnselen onderzoeken met behulp van de onderzoekscyclus.
3.5.GL6.15De leerlingen kunnen natuurkundige verschijnselen onderzoeken met behulp van de onderzoekscyclus.
3.5.GL6.16De leerlingen kunnen natuurkundige verschijnselen onderzoeken met behulp van de onderzoekscyclus.
3.6.GL4.12De leerlingen kennen basisgereedschap voor montage en demontage.

Herschreven 67

De code blijft dezelfde, maar de tekst is aangepast (bv. terminologie, bereik of duidelijkere formulering).

CodeOude tekstNieuwe tekst
3.1.GK2.14De leerlingen kunnen uitleggen aan de hand van voorbeelden hoe mensen en dieren groeien en ontwikkelen.De leerlingen kunnen beschrijven aan de hand van voorbeelden hoe mensen en dieren groeien en ontwikkelen.
3.1.GK2.15De leerlingen kunnen uitleggen aan de hand van voorbeelden hoe planten groeien en ontwikkelen.De leerlingen kunnen beschrijven aan de hand van voorbeelden hoe planten groeien en ontwikkelen.
3.2.+L6.2De leerling kan aan de hand van een voedselpiramide uitleggen dat energie telkens gedeeltelijk verloren gaat als warmte.De leerling kan aan de hand van een voedselpiramide beschrijven dat energie telkens gedeeltelijk verloren gaat als warmte.
3.2.GL1.6De leerlingen kunnen uitleggen aan de hand van voorbeelden waarom het belangrijk is om afval te sorteren.De leerlingen kunnen verwoorden aan de hand van voorbeelden waarom het belangrijk is om afval te sorteren.
3.2.GL3.12De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden het verschil uitleggen tussen de groei van planten en schimmels op basis van hun energiebron.De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden het verschil beschrijven tussen de groei van planten en schimmels op basis van hun energiebron.
3.2.GL5.4De leerlingen kunnen uitleggen waarom organismen elkaar en hun omgeving nodig hebben om te overleven.De leerlingen kunnen verwoorden waarom organismen elkaar en hun omgeving nodig hebben om te overleven.
3.2.GL5.14De leerlingen kunnen uitleggen aan de hand van voorbeelden hoe het lichaam energie gebruikt voor beweging, groei en warmte.De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden beschrijven hoe het lichaam energie gebruikt voor beweging, groei en warmte.
3.2.GL6.7De leerlingen kunnen uitleggen aan de hand van voorbeelden waarom biodiversiteit essentieel is voor het leven op aarde.De leerlingen kunnen verwoorden aan de hand van voorbeelden waarom biodiversiteit essentieel is voor het leven op aarde.
3.3.GK3.5De leerlingen kunnen de plaats van deze lichaamsdelen op het eigen lichaam aanduiden en benoemen: de spieren, de botten, de longen, het hart.De leerlingen kunnen deze lichaamsdelen op het eigen lichaam aanduiden en benoemen: de spieren, de botten, de longen, het hart.
3.3.GL2.1De leerlingen kennen de volgende begrippen: de slokdarmDe leerlingen kennen de volgende begrippen: de slokdarm.
3.4.GK2.3De leerlingen kunnen materie sorteren op basis van een waarneembare eigenschappen.De leerlingen kunnen materie sorteren op basis van een waarneembare eigenschap.
3.4.GL4.3De leerlingen kennen de volgende begrippen: omkeerbare reactie, niet-omkeerbare reactie. < bv. zout lost op in water, zout kan terug van het watergescheiden worden door het water te laten verdampen, verbranding is niet-omkeerbaar >De leerlingen kennen de volgende begrippen: omkeerbare reactie, niet-omkeerbare reactie.
3.5.+L5.1De leerling kan faseovergangen van stoffen uitleggen aan de hand van het deeltjesmodel.De leerling kan faseovergangen van stoffen beschrijven aan de hand van het deeltjesmodel.
3.5.+L5.4De leerling kan uitleggen dat een echo ontstaat wanneer geluid wordt weerkaatst door een groot en hard oppervlak.De leerling kan beschrijven dat een echo ontstaat wanneer geluid wordt weerkaatst door een groot en hard oppervlak.
3.5.GJK.1De leerlingen kennen de volgende begrippen: de zon, licht, donker.De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot natuurkundige verschijnselen: de zon, licht, donker.
3.5.GK2.1De leerlingen kennen de volgende begrippen: het licht, de lamp, de schaduw, de spiegel.De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot natuurkundige verschijnselen: het licht, de lamp, de schaduw, de spiegel.
3.5.GK3.1De leerlingen weten wat een lichtbron is.De leerlingen kennen licht: de lichtbron.
3.5.GK3.2De leerlingen kennen het verschijnsel: reflectie van licht.De leerlingen kennen licht: de reflectie.
3.5.GK3.5De leerlingen kunnen geluiden als hoog of laag onderscheiden en benoemen.De leerlingen kunnen geluiden als hoog of laag onderscheiden en benoemen.
3.5.GK3.8De leerlingen kennen de volgende begrippen: het stopcontact, de batterij.De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot natuurkundige verschijnselen: het stopcontact, de batterij.
3.5.GK3.10De leerlingen kennen eigenschappen van magneten: aantrekken, afstoten.De leerlingen kennen magnetisme: eigenschappen van magneten: aantrekken, afstoten.
3.5.GL1.4De leerlingen kennen energie en energievormen: bewegingsenergie <bv. windenergie>De leerlingen kennen energie en energievormen: bewegingsenergie.
3.5.GL3.2De leerlingen kennen faseovergangen tussen aggregatietoestanden: smelten, stollen, verdampen.De leerlingen kennen aggregatietoestanden: de faseovergangen.
3.5.GL3.4De leerlingen kennen de relatie tussen temperatuur en faseovergangen.De leerlingen kennen aggregatietoestanden: de relatie tussen temperatuur en faseovergangen.
3.5.GL3.7De leerlingen kennen energie en energievormen: thermische energie <bv. zonne-energie>De leerlingen kennen energie en energievormen: thermische energie.
3.5.GL3.17De leerlingen kennen magnetisme: • polen, noordpool, zuidpool, magnetische kracht; • aarde als magneet.De leerlingen kennen magnetisme: - polen, noordpool, zuidpool, magnetische kracht; - aarde als magneet.
3.5.GL4.3De leerlingen kennen trilling als de oorzaak van geluid.De leerlingen kennen geluid: ontstaan van geluid: trilling.
3.5.GL4.5De leerlingen weten dat sommige materie geluid beter doorgeven dan andere.De leerlingen weten dat sommige soorten materie geluid beter doorgeven dan andere.
3.5.GL4.6De leerlingen kennen het verband tussen toonhoogte en frequentie.De leerlingen kennen geluid: toonhoogte of frequentie.
3.5.GL5.2De leerlingen kennen licht: reflecteren, absorberen en doorlaten van licht.De leerlingen kennen licht: reflecteren, absorberen en doorlaten van licht.
3.5.GL5.4De leerlingen weten dat geluid verzwakt bij obstakels.De leerlingen weten dat geluid verzwakt bij obstakels.
3.5.GL5.6De leerlingen weten dat massa een maat is voor de hoeveelheid materie en dat gewicht een kracht is die ontstaat door zwaartekracht.De leerlingen kennen kracht en beweging: gewicht als kracht en massa als maat voor de hoeveelheid materie van een bepaalde stof.
3.5.GL5.7De leerlingen weten dat krachten de vorm en/of de bewegingstoestand (zoals snelheid of richting) van een voorwerp kunnen veranderen.De leerlingen kennen kracht en beweging: effecten van krachten: verandering van bewegingstoestand.
3.5.GL6.2De leerlingen kennen de volgende vorm van energie: kernenergie.De leerlingen kennen energie: kernenergie.
3.5.GL6.3De leerlingen kennen de volgende vorm van energie: elektrische energie.De leerlingen kennen energie: elektrische energie.
3.5.GL6.4De leerlingen kennen de volgende vorm van energie: chemische energie.De leerlingen kennen energie: chemische energie.
3.5.GL6.5De leerlingen weten dat sommige materialen elektriciteit geleiden en andere niet.De leerlingen kennen elektrische verschijnselen: geleiders, isolatoren.
3.5.GL6.11De leerlingen kunnen voorbeelden geven van toestellen waarbij elektrische energie wordt omgezet in licht, warmte, beweging of geluid.De leerlingen kunnen voorbeelden geven van toestellen waarbij elektrische energie wordt omgezet in licht, warmte, beweging of geluid.
3.6.GJK.1De leerlingen kunnen eenvoudige technische systemen verkennen door te kijken, te voelen en uit te proberen hoe ze werken zoals grote draai- en kliksystemen, magnetisch constructiemateriaal, houten hamer, kunststof schroeven, een schaar.De leerlingen kunnen eenvoudige technische systemen verkennen door te kijken, te voelen en uit te proberen hoe ze werken.
3.6.GK3.1De leerlingen kunnen uitleggen aan de hand van voorbeelden wanneer technische systemen helpen of niet helpen.De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden beschrijven wanneer technische systemen helpen of niet helpen.
3.6.GK3.4De leerlingen kunnen uitleggen aan de hand van voorbeelden wat er gebeurt wanneer ze een onderdeel van een technisch systeem manipuleren.De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden beschrijven wat er gebeurt wanneer ze een onderdeel van een technisch systeem manipuleren.
3.6.GL1.1De leerlingen kunnen uitleggen aan de hand van voorbeelden hoe een technisch systeem hun handelen beïnvloedt.De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden beschrijven hoe een technisch systeem hun handelen beïnvloedt.
3.6.GL1.4De leerlingen kunnen eenvoudige verbindingen correct gebruiken: lijmen, tapen, vastknopen en klemmen.De leerlingen kunnen minstens deze eenvoudige verbindingen correct gebruiken: lijmen, tapen, vastknopen en klemmen.
3.6.GL1.7De leerlingen kennen ten minste dit basisgereedschap voor montage en demontage: de schroevendraaier, de hamer.De leerlingen kennen minstens dit basisgereedschap voor montage en demontage: de schroevendraaier, de hamer.
3.6.GL2.1De leerlingen kunnen uitleggen aan de hand van voorbeelden welke gevolgen het gebruik of ontbreken van een technisch systeem heeft.De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden beschrijven welke gevolgen het gebruik of ontbreken van een technisch systeem heeft.
3.6.GL2.2De leerlingen kennen ten minste dit basisgereedschap voor montage en demontage: de klauwhamer, de nijptang, de rolmeter.De leerlingen kennen minstens dit basisgereedschap voor montage en demontage: de klauwhamer, de nijptang, de boor, de handboor, de rolmeter, het lijmpistool, de (lijm)klem.
3.6.GL2.3De leerlingen kunnen onderdelen monteren met eenvoudige verbindingen zoals lijmen, tapen, knopen, vastklemmen of schroeven.De leerlingen kunnen eenvoudige technische systemen monteren met eenvoudige verbindingen zoals lijmen, tapen, knopen, vastklemmen of schroeven.
3.6.GL2.10De leerlingen kunnen uitleggen aan de hand van voorbeelden waarom bepaalde materialen gebruikt worden voor een onderdeel van een technisch systeem.De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden beschrijven waarom bepaalde materialen gebruikt worden voor een onderdeel van een technisch systeem.
3.6.GL2.11De leerlingen kunnen uitleggen aan de hand van voorbeelden hoe onderdelen verbonden worden op een manier die de stevigheid of werking van een technisch systeem beïnvloedt.De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden beschrijven hoe onderdelen verbonden worden op een manier die de stevigheid of werking van een technisch systeem beïnvloedt.
3.6.GL3.1De leerlingen kunnen uitleggen aan de hand van voorbeelden dat techniek voordelen en nadelen heeft.De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden beschrijven dat techniek voordelen en nadelen heeft.
3.6.GL3.3De leerlingen kennen ten minste dit basisgereedschap voor montage en demontage: de combinatietang, de zijkniptang, de ronde bektang.De leerlingen kennen minstens dit basisgereedschap voor montage en demontage: de platte bektang, de zijkniptang, de ronde bektang.
3.6.GL4.1De leerlingen kunnen uitleggen aan de hand van voorbeelden hoe ontwerpkeuzes in technische systemen afgestemd zijn op gebruikerswensen en beperkingen.De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden beschrijven hoe ontwerpkeuzes in technische systemen afgestemd zijn op gebruikerswensen en beperkingen.
3.6.GL4.2De leerlingen kennen ten minste dit basisgereedschap voor montage en demontage: de waterpas, de ringsleutel, de steeksleutel.De leerlingen kennen minstens dit basisgereedschap voor montage en demontage: de waterpas, de ringsleutel, de steeksleutel, het schuurblok, de handzaag, de zaagbeugel.
3.6.GL4.6De leerlingen kunnen de werking van een technisch systeem uitleggen aan de hand van onderdelen, materialen en verbindingen.De leerlingen kunnen de werking van een technisch systeem beschrijven aan de hand van onderdelen, materialen en verbindingen.
3.6.GL4.7De leerlingen kunnen de werking van een technisch systeem beschrijven aan de hand van onderdelen en materialen.De leerlingen kunnen de werking van een technisch systeem beschrijven aan de hand van onderdelen, materialen en verbindingen.
3.6.GL4.8De leerlingen kunnen uitleggen hoe vormgeving en design een rol spelen bij het gebruik van technische systemen.De leerlingen kunnen verwoorden hoe vormgeving en design een rol spelen bij het gebruik van technische systemen.
3.6.GL4.10De leerlingen kunnen uitleggen waarom ze een bepaalde verbinding kiezen.De leerlingen kunnen verwoorden waarom ze een bepaalde verbinding kiezen.
3.6.GL5.1De leerlingen kunnen uitleggen aan de hand van voorbeelden hoe technische systemen voordelen en nadelen hebben voor mens en milieu.De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden beschrijven hoe technische systemen voordelen en nadelen hebben voor mens en milieu.
3.6.GL5.2De leerlingen kunnen uitleggen aan de hand van voorbeelden dat voedselkeuze invloed heeft op mens en milieu.De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden beschrijven dat voedselkeuze invloed heeft op mens en milieu.
3.6.GL5.4De leerlingen kennen ten minste dit basisgereedschap voor basisonderhoud en herstellingen: de bandenwipper, de inbussleutel, de boormachine, de bankschroef, de accuschroevendraaier.De leerlingen kennen minstens dit basisgereedschap voor basisonderhoud en herstellingen: de bandenwipper, de inbussleutel, de dopsleutel, de boormachine, de bankschroef, de accumachine.
3.6.GL5.6De leerlingen kennen de volgende begrippen: herstellen, onderhouden, vervangen.De leerlingen kennen de volgende begrippen: herstellen, onderhouden, vervangen.
3.6.GL6.3De leerlingen kunnen uitleggen aan de hand van voorbeelden hoe technologie kan helpen klimaatverandering te verminderen.De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden beschrijven hoe technologie kan helpen klimaatverandering te verminderen.
3.6.GL6.4De leerlingen kunnen uitleggen aan de hand van voorbeelden hoe technologie kan helpen om vervuiling te voorkomen of te verminderen.De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden beschrijven hoe technologie kan helpen om vervuiling te voorkomen of te verminderen.
3.6.GL6.7De leerlingen kennen ten minste dit basisgereedschap voor basisonderhoud en herstellingen: de striptang, de combinatietang, de soldeerbout.De leerlingen kennen minstens dit basisgereedschap voor basisonderhoud en herstellingen: de draadstripper, de striptang, de universele tang, de soldeerbout.
3.6.GL6.15De leerlingen kennen het volgende begrip: assembleren.De leerlingen kennen basisgereedschap voor basisonderhoud en herstellingen.
3.7.GK3.3De leerlingen kunnen eenvoudige conclusies uitleggen.De leerlingen kunnen eenvoudige conclusies beschrijven.
3.7.GK3.5De leerlingen kunnen uitleggen waarvoor hun ontwerp dient.De leerlingen kunnen beschrijven waarvoor hun ontwerp dient.
📅 Vergeleken: leerplanversie van 05/08/2026 → 16/09/2026 (Op·stap, leerplanversie V1.2)
Wat betekent dit voor jouw school? Als je al een eigen leerdoel gekoppeld had aan een leerplancode die hier als geschrapt staat, blijft dat leerdoel — en alle observaties erop — gewoon bestaan. Enkel de extra info (domein/leerjaar) bij dat leerplandoel verdwijnt. Wil je het leerdoel afstemmen op het huidige leerplan, koppel het dan gewoon opnieuw aan een ander toepasselijk leerplandoel via Beheer → Leerdoelen of Beheer → Thema's.

Herschreven 12

De code blijft dezelfde, maar de tekst is aangepast (bv. terminologie, bereik of duidelijkere formulering).

CodeOude tekstNieuwe tekst
4.2.GK3.12De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen: de handel en diensten: het zwembad, de bibliotheek.De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen: de recreatie en het toerisme: het zwembad, de bibliotheek.
4.2.GL2.4De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen: de handel en diensten: het sportterrein, de entertainmentfaciliteit.De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen: de recreatie en het toerisme: het sportterrein, de entertainmentfaciliteit.
4.2.GL3.10De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen: de landbouw: de verwerking en de distributie van gewassen;De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen: de verwerking en de distributie van gewassen;
4.2.GL4.3De leerlingen kennen de kenmerken, oorzaken en gevolgen van vulkanen: waarom vulkanen uitbarsten: magma, lava, vulkaanpijp, krater.De leerlingen kennen de kenmerken, oorzaken en gevolgen van vulkanen: waarom vulkanen uitbarsten: magma, lava, vulkaanpijp, krater;
4.2.GL4.9De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot bevolking: het bevolkingsaantal, de bevolkingsdichtheid, bevolkingsspreiding;De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot bevolking: de bevolkingsdichtheid
4.3.GL5.1De leerlingen kunnen satellietbeelden hanteren;De leerlingen kunnen met betrekking tot aardrijkskundige vaardigheden: satellietbeelden hanteren;
4.3.GL5.6De leerlingen kunnen aardrijkskundige kennis en vaardigheden van het 5de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden: ruimtelijke posities, relaties en contrasten;De leerlingen kunnen aardrijkskundige kennis en vaardigheden op niveau 5de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden over: ruimtelijke posities, relaties en contrasten;
4.3.GL5.10De leerlingen kunnen aardrijkskundige kennis en vaardigheden van het 5de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden: interactie op verschillende schalen;De leerlingen kunnen aardrijkskundige kennis en vaardigheden op niveau 5de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden over: interactie op verschillende schalen;
4.3.GL5.11De leerlingen kunnen aardrijkskundige kennis en vaardigheden van het 5de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden: verandering in de tijd, inclusief de toekomst.De leerlingen kunnen aardrijkskundige kennis en vaardigheden op niveau 5de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden over: verandering in de tijd, inclusief de toekomst.
4.3.GL6.5De leerlingen kunnen aardrijkskundige kennis en vaardigheden van het 6de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden: ruimtelijke posities, relaties en contrasten;De leerlingen kunnen aardrijkskundige kennis en vaardigheden op niveau 6de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden over: ruimtelijke posities, relaties en contrasten;
4.3.GL6.9De leerlingen kunnen aardrijkskundige kennis en vaardigheden van het 6de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden: interactie op verschillende schalen;De leerlingen kunnen aardrijkskundige kennis en vaardigheden op niveau 6de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden over: interactie op verschillende schalen;
4.3.GL6.10De leerlingen kunnen aardrijkskundige kennis en vaardigheden van het 6de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden: verandering in de tijd, inclusief de toekomst.De leerlingen kunnen aardrijkskundige kennis en vaardigheden op niveau 6de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden over: verandering in de tijd, inclusief de toekomst.
📅 Vergeleken: leerplanversie van 05/08/2026 → 16/09/2026 (Op·stap, leerplanversie V1.2)
Wat betekent dit voor jouw school? Als je al een eigen leerdoel gekoppeld had aan een leerplancode die hier als geschrapt staat, blijft dat leerdoel — en alle observaties erop — gewoon bestaan. Enkel de extra info (domein/leerjaar) bij dat leerplandoel verdwijnt. Wil je het leerdoel afstemmen op het huidige leerplan, koppel het dan gewoon opnieuw aan een ander toepasselijk leerplandoel via Beheer → Leerdoelen of Beheer → Thema's.

Herschreven 102

De code blijft dezelfde, maar de tekst is aangepast (bv. terminologie, bereik of duidelijkere formulering). Bij doelstrand 5.1 verschuift het werkwoord van "kunnen herkennen/uitleggen/..." naar "weten" — een bewuste verschuiving van vaardigheid naar kennis.

CodeOude tekstNieuwe tekst
5.1.GJK.1De leerlingen kunnen herkennen hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: eigen stad, dorp of straat, veranderingen in het straatbeeld, technologie.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: eigen stad, dorp of straat, veranderingen in het straatbeeld, technologie.
5.1.GJK.2De leerlingen kunnen herkennen hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: eigen woning, familieherinneringen uit de kindertijd, technologie, het interieur van een woning.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: eigen woning, familieherinneringen uit de kindertijd, technologie, het interieur van een woning.
5.1.GK2.1De leerlingen kunnen herkennen hoe mensen tijdens de prehistorie overleefden en samenleefden: kleine groep (stam), vuur.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de prehistorie overleefden en samenleefden: kleine groep (stam), vuur.
5.1.GK2.2De leerlingen kunnen herkennen hoe mensen tijdens de prehistorie overleefden en samenleefden: jagen, voedsel verzamelen.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de prehistorie overleefden en samenleefden: jagen, voedsel verzamelen.
5.1.GK2.3De leerlingen kunnen herkennen hoe mensen tijdens de prehistorie overleefden en samenleefden: het gebruik van vuur.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de prehistorie overleefden en samenleefden: het gebruik van vuur.
5.1.GK2.4De leerlingen kunnen herkennen hoe mensen tijdens de prehistorie overleefden en samenleefden: werktuigen van steen en been gebruiken.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de prehistorie overleefden en samenleefden: werktuigen van steen en been gebruiken.
5.1.GK2.5De leerlingen kunnen herkennen hoe mensen tijdens de prehistorie overleefden en samenleefden: werktuigen van steen en been leren maken.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de prehistorie overleefden en samenleefden: werktuigen van steen en been leren maken.
5.1.GK2.6De leerlingen kunnen herkennen hoe mensen tijdens de prehistorie overleefden en samenleefden: grotschilderingenDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de prehistorie overleefden en samenleefden: grotschilderingen
5.1.GK2.7De leerlingen kunnen herkennen hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: eigen stad, dorp of straat, veranderingen in het straatbeeld, technologie.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: eigen stad, dorp of straat, veranderingen in het straatbeeld, technologie.
5.1.GK2.8De leerlingen kunnen herkennen hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: eigen woning, familieherinneringen uit de kindertijd, technologie, het interieur van een woning.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: eigen woning, familieherinneringen uit de kindertijd, technologie, het interieur van een woning.
5.1.GK3.1De leerlingen kunnen benoemen hoe mensen tijdens de oudheid in de Egyptische samenleving overleefden en samenleefden: irrigatielandbouw, de Nijl, boer, farao.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de Egyptische samenleving overleefden en samenleefden: irrigatielandbouw, de Nijl, boer, farao.
5.1.GK3.2De leerlingen kunnen benoemen hoe mensen tijdens de oudheid in de Egyptische samenleving overleefden en samenleefden: bouwen en begraven worden, de piramides van Gizeh.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de Egyptische samenleving overleefden en samenleefden: bouwen en begraven worden, de piramides van Gizeh.
5.1.GK3.3De leerlingen kunnen benoemen hoe mensen tijdens de oudheid in de Egyptische samenleving overleefden en samenleefden: schrift, hiërogliefen, papyrus.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de Egyptische samenleving overleefden en samenleefden: schrift, hiërogliefen, papyrus.
5.1.GK3.4De leerlingen kunnen benoemen hoe mensen tijdens de oudheid in de Egyptische samenleving overleefden en samenleefden: schrift, de Steen van Rosetta.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de Egyptische samenleving overleefden en samenleefden: schrift, de Steen van Rosetta.
5.1.GK3.5De leerlingen kunnen benoemen hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: eigen stad, dorp of straat, veranderingen in het straatbeeld, technologie.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: eigen stad, dorp of straat, veranderingen in het straatbeeld, technologie.
5.1.GK3.6De leerlingen kunnen benoemen hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: eigen woning, familieherinneringen uit de kindertijd, technologie, het interieur van een woning.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: eigen woning, familieherinneringen uit de kindertijd, technologie, het interieur van een woning.
5.1.GL1.1De leerlingen kunnen herkennen dat mensen tijdens de prehistorie overleefden en samenleefden: Afrika (rift-vallei), rechtop lopen, relaties tussen mens-dier-plant, taal.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de prehistorie overleefden en samenleefden: Afrika (rift-vallei), rechtop lopen, relaties tussen mens-dier-plant, taal.
5.1.GL1.2De leerlingen kunnen benoemen hoe mensen tijdens de prehistorie met de natuur omgingen en samenleefden: de eerste migraties, Flores.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de prehistorie met de natuur omgingen en samenleefden: de eerste migraties, Flores.
5.1.GL1.3De leerlingen kunnen benoemen hoe mensen tijdens de prehistorie met de natuur omgingen en samenleefden: de eerste migraties, Sapiens.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de prehistorie met de natuur omgingen en samenleefden: de eerste migraties, Sapiens.
5.1.GL1.4De leerlingen kunnen benoemen hoe mensen tijdens de prehistorie met de natuur omgingen en samenleefden: Maasvallei (Neanderthalers), relaties tussen mens-dier-plant.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de prehistorie met de natuur omgingen en samenleefden: Maasvallei (Neanderthalers), relaties tussen mens-dier-plant.
5.1.GL1.5De leerlingen kunnen benoemen hoe mensen tijdens de prehistorie overleefden en samenleefden: Çatalhöyük, relaties tussen mens-dier-plant, leven op het ritme van dag/nacht/seizoenen.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de prehistorie overleefden en samenleefden: Çatalhöyük, relaties tussen mens-dier-plant, leven op het ritme van dag/nacht/seizoenen.
5.1.GL1.6De leerlingen kunnen benoemen hoe mensen tijdens de prehistorie overleefden en samenleefden: Çatalhöyük, complexere sociale groepen, omgang met anderen.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de prehistorie overleefden en samenleefden: Çatalhöyük, complexere sociale groepen, omgang met anderen.
5.1.GL1.7De leerlingen kunnen herkennen dat mensen tijdens de oudheid in Mesopotamië overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: irrigatielandbouw, stroomgebied van Tigris en Eufraat.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in Mesopotamië overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: irrigatielandbouw, stroomgebied van Tigris en Eufraat.
5.1.GL1.8De leerlingen kunnen herkennen dat mensen tijdens de oudheid in Mesopotamië overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: beroepsspecialisatie, handel.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in Mesopotamië overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: beroepsspecialisatie, handel.
5.1.GL1.9De leerlingen kunnen herkennen dat mensen tijdens de oudheid in Mesopotamië overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: stadsstaten.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in Mesopotamië overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: stadsstaten.
5.1.GL1.10De leerlingen kunnen benoemen hoe mensen tijdens de oudheid in Mesopotamië overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: standenmaatschappij, slavernij, slaafgemaakten, koning, Codex Hammurabi.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in Mesopotamië overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: standenmaatschappij, slavernij, slaafgemaakten, koning, Codex Hammurabi.
5.1.GL1.11De leerlingen kunnen benoemen hoe mensen tijdens de oudheid in Mesopotamië overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: ziggurat, schriftgeleerde, spijkerschrift.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in Mesopotamië overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: ziggurat, schriftgeleerde, spijkerschrift.
5.1.GL1.12De leerlingen kunnen benoemen hoe mensen tijdens de oudheid in Mesopotamië overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: epische verhalen, Gilgamesj-epos.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in Mesopotamië overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: epische verhalen, Gilgamesj-epos.
5.1.GL2.1De leerlingen kunnen beschrijven hoe mensen tijdens de oudheid in de Griekse wereld overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: mythologie, religie, de berg Olympos.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de Griekse wereld overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: mythologie, religie, de berg Olympos.
5.1.GL2.2De leerlingen kunnen beschrijven hoe mensen tijdens de oudheid in de Griekse wereld overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: Athene, Akropolis.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de Griekse wereld overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: Athene, Akropolis.
5.1.GL2.3De leerlingen kunnen beschrijven hoe mensen tijdens de oudheid in de Griekse wereld overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: Athene, de aristocratie.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de Griekse wereld overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: Athene, de aristocratie.
5.1.GL2.4De leerlingen kunnen beschrijven hoe mensen tijdens de oudheid in de Griekse wereld overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: Athene, de wetten van Solon, burgerrechten.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de Griekse wereld overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: Athene, de wetten van Solon, burgerrechten.
5.1.GL2.5De leerlingen kunnen beschrijven hoe mensen tijdens de oudheid in de Griekse wereld overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: burgerrechten, vrouwen in de Griekse oudheid.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de Griekse wereld overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: burgerrechten, vrouwen in de Griekse oudheid.
5.1.GL2.6De leerlingen kunnen beschrijven hoe mensen tijdens de oudheid in de Griekse wereld overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: filosofie, Sokrates.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de Griekse wereld overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: filosofie, Sokrates.
5.1.GL2.7De leerlingen kunnen beschrijven hoe mensen tijdens de oudheid in de Griekse wereld overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: filosofie, Archimedes.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de Griekse wereld overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: filosofie, Archimedes.
5.1.GL2.8De leerlingen kunnen beschrijven hoe mensen tijdens de oudheid in de Griekse wereld overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: filosofie, Hippocrates.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de Griekse wereld overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: filosofie, Hippocrates.
5.1.GL2.9De leerlingen kunnen beschrijven hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: imperialisme, Rome, Carthago, Hannibal.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: imperialisme, Rome, Carthago, Hannibal.
5.1.GL2.10De leerlingen kunnen beschrijven hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: dagelijks leven, Pompeï, keukens, slaafgemaakten.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: dagelijks leven, Pompeï, keukens, slaafgemaakten.
5.1.GL3.1De leerlingen kunnen uitleggen hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: imperialisme, Caesar, de Kelten.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: imperialisme, Caesar, de Kelten.
5.1.GL3.2De leerlingen kunnen uitleggen hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: imperialisme, Augustus, Germanen.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: imperialisme, Augustus, Germanen.
5.1.GL3.3De leerlingen kunnen uitleggen hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: identiteit en integratie, culturele uitwisseling, Tongeren.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: identiteit en integratie, culturele uitwisseling, Tongeren.
5.1.GL3.4De leerlingen kunnen uitleggen hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: voedselproductie, handel over lange afstanden, de Pax Romana, Tongeren, Velzeke, Limes, wegennetwerk.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: voedselproductie, handel over lange afstanden, de Pax Romana, Tongeren, Velzeke, Limes, wegennetwerk.
5.1.GL3.5De leerlingen kunnen uitleggen hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: identiteit en integratie, Cornelia (moeder van de Gracchen).De leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: identiteit en integratie, Cornelia.
5.1.GL3.6De leerlingen kunnen uitleggen hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: ontstaan van het christendom, Constantijn.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: ontstaan van het christendom, Constantijn.
5.1.GL3.7De leerlingen kunnen uitleggen hoe mensen tijdens de middeleeuwen in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: agrarische (r)evolutie, drieslagstelsel.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: agrarische (r)evolutie, drieslagstelsel.
5.1.GL3.8De leerlingen kunnen uitleggen hoe mensen tijdens de middeleeuwen in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: gilde, ambachtslieden, handel, Brugge, Gent.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: gilde, ambachtslieden, handel, Brugge, Gent.
5.1.GL3.9De leerlingen kunnen uitleggen hoe mensen tijdens de middeleeuwen in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: rurale en stedelijke samenleving, machtsverhoudingen en ongelijkheid.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: rurale en stedelijke samenleving, machtsverhoudingen en ongelijkheid.
5.1.GL3.10De leerlingen kunnen uitleggen hoe mensen tijdens de middeleeuwen gedurende contacten tussen samenlevingen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: interculturele contacten, Dorestad, Vikingen.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen gedurende contacten tussen samenlevingen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: interculturele contacten, Dorestad, Vikingen.
5.1.GL3.11De leerlingen kunnen uitleggen hoe mensen tijdens de middeleeuwen gedurende contacten tussen samenlevingen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: interculturele contacten, Rollo de Noorman, de belegering van Parijs.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen gedurende contacten tussen samenlevingen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: interculturele contacten, Rollo de Noorman, de belegering van Parijs.
5.1.GL3.13De leerlingen kunnen uitleggen hoe mensen tijdens de middeleeuwen in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: kloosters en abdijen.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: kloosters en abdijen.
5.1.GL3.14De leerlingen kunnen uitleggen hoe mensen tijdens de middeleeuwen in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: christendom, kloosters en abdijen, begijnen.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: christendom, kloosters en abdijen, begijnen.
5.1.GL3.16De leerlingen kunnen uitleggen hoe mensen tijdens de middeleeuwen in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: de pest, ziekten.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: de pest, ziekten.
5.1.GL4.1De leerlingen kunnen verklaren hoe mensen tijdens de middeleeuwen in de Arabische wereld overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: het ontstaan en de verspreiding van de islam, Mohammed, Mekka, Medina.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen in de Arabische wereld overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: het ontstaan en de verspreiding van de islam, Mohammed, Mekka, Medina.
5.1.GL4.2De leerlingen kunnen verklaren hoe mensen tijdens de middeleeuwen in de Arabische wereld overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: het ontstaan en de verspreiding van de islam, kaliefen, schisma tussen sjiieten en soennieten.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen in de Arabische wereld overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: het ontstaan en de verspreiding van de islam, kaliefen, schisma tussen sjiieten en soennieten.
5.1.GL4.3De leerlingen kunnen verklaren hoe mensen tijdens de middeleeuwen in de Arabische wereld overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: kennisontwikkeling, Bagdad (huis van wijsheid), geleerden.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen in de Arabische wereld overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: kennisontwikkeling, Bagdad (huis van wijsheid), geleerden.
5.1.GL4.4De leerlingen kunnen verklaren hoe mensen tijdens de middeleeuwen in de Arabische wereld overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: Arabische kunst.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen in de Arabische wereld overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: Arabische kunst.
5.1.GL4.5De leerlingen kunnen verklaren hoe mensen tijdens de middeleeuwen doorheen contacten tussen samenlevingen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: interculturele contacten, Al-Andaluz, de moskee van Cordoba, het Alhambra.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen doorheen contacten tussen samenlevingen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: interculturele contacten, Al-Andaluz, de moskee van Cordoba, het Alhambra.
5.1.GL4.6De leerlingen kunnen verklaren hoe mensen tijdens de middeleeuwen in de Arabische wereld overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: kennisontwikkeling, Al-Ghazali.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen in de Arabische wereld overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: kennisontwikkeling, Al-Ghazali.
5.1.GL4.7De leerlingen kunnen verklaren hoe mensen tijdens de middeleeuwen in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: Hildegard van Bingen.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: Hildegard van Bingen.
5.1.GL4.8De leerlingen kunnen verklaren hoe mensen tijdens de middeleeuwen doorheen contacten tussen samenlevingen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: interculturele contacten, Maimonides.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen doorheen contacten tussen samenlevingen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: interculturele contacten, Maimonides.
5.1.GL4.9De leerlingen kunnen verklaren hoe mensen tijdens de middeleeuwen gedurende contacten tussen samenlevingen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: interculturele contacten, conversos, de Reconquista.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen gedurende contacten tussen samenlevingen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: interculturele contacten, conversos, de Reconquista.
5.1.GL4.10De leerlingen kunnen verklaren hoe mensen tijdens de middeleeuwen in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: rechtspraak, machtsverhoudingen en ongelijkheid, de keure van Kortenberg.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: rechtspraak, machtsverhoudingen en ongelijkheid, de keure van Kortenberg.
5.1.GL4.11De leerlingen kunnen verklaren hoe mensen tijdens de middeleeuwen in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: de Bourgondiërs.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: de Bourgondiërs.
5.1.GL4.12De leerlingen kunnen verklaren hoe mensen tijdens de vroegmoderne tijd in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: staatsvorming, Karel V, Duitse Rijk.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de vroegmoderne tijd in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: staatsvorming, Karel V, Duitse Rijk.
5.1.GL4.13De leerlingen kunnen verklaren hoe mensen tijdens de vroegmoderne tijd in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: staatsvorming, Frankrijk, Lodewijk XIV.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de vroegmoderne tijd in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: staatsvorming, Frankrijk, Lodewijk XIV.
5.1.GL4.14De leerlingen kunnen verklaren hoe mensen tijdens de vroegmoderne tijd in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: imperialisme, Karel V.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de vroegmoderne tijd in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: imperialisme, Karel V.
5.1.GL4.15De leerlingen kunnen verklaren hoe mensen tijdens de vroegmoderne tijd in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: boekdrukkunst, Antwerpen, Plantijn.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de vroegmoderne tijd in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: boekdrukkunst, Antwerpen, Plantijn.
5.1.GL4.16De leerlingen kunnen verklaren hoe mensen tijdens de vroegmoderne tijd in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: religieuze conflicten, de Vrede van Westfalen.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de vroegmoderne tijd in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: religieuze conflicten, de Vrede van Westfalen.
5.1.GL5.1De leerlingen kunnen uitleggen hoe mensen tijdens de vroegmoderne tijd in Afrika overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: staatsvorming, de Kongostroom, de oprichting van het Kongo-koninkrijk, Lukeni Lua Nimi.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de vroegmoderne tijd in Afrika overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: staatsvorming, de Kongostroom, de oprichting van het Kongo-koninkrijk, Lukeni Lua Nimi.
5.1.GL5.2De leerlingen kunnen uitleggen hoe mensen tijdens de vroegmoderne tijd in Afrika overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: staatsvorming, de Kongostroom, Alfonso I van Kongo, Garcia II van Kongo.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de vroegmoderne tijd in Afrika overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: staatsvorming, de Kongostroom, Alfonso I van Kongo, Garcia II van Kongo.
5.1.GL5.3De leerlingen kunnen uitleggen hoe mensen tijdens de vroegmoderne tijd in Afrika overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: slavenhandel, de Kongostroom, Portugese handelaren.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de vroegmoderne tijd in Afrika overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: slavenhandel, de Kongostroom, Portugese handelaren.
5.1.GL5.4De leerlingen kunnen uitleggen hoe mensen tijdens de vroegmoderne tijd doorheen contacten tussen samenlevingen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: Vermeer, Hollandse school.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de vroegmoderne tijd doorheen contacten tussen samenlevingen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: Vermeer, Hollandse school.
5.1.GL5.5De leerlingen kunnen uitleggen hoe mensen tijdens de vroegmoderne tijd in Afrika overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: mondelinge tradities, Lukeni Lua Nimi.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de vroegmoderne tijd in Afrika overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: mondelinge tradities, Lukeni Lua Nimi.
5.1.GL5.6De leerlingen kunnen uitleggen hoe mensen tijdens de vroegmoderne tijd in Afrika overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: introductie van het christendom.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de vroegmoderne tijd in Afrika overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: introductie van het christendom.
5.1.GL5.7De leerlingen kunnen uitleggen hoe mensen tijdens de vroegmoderne tijd doorheen contacten tussen samenlevingen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: wereldimperialisme, zijderoutes, zeevaarders, Columbus.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de vroegmoderne tijd doorheen contacten tussen samenlevingen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: wereldimperialisme, zijderoutes, zeevaarders, Columbus.
5.1.GL5.8De leerlingen kunnen uitleggen hoe mensen tijdens de vroegmoderne tijd doorheen contacten tussen samenlevingen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: wereldimperialisme, de West-Indische Compagnie, het ronden van Kaap de Goede Hoop.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de vroegmoderne tijd doorheen contacten tussen samenlevingen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: wereldimperialisme, de West-Indische Compagnie, het ronden van Kaap de Goede Hoop.
5.1.GL5.9De leerlingen kunnen uitleggen hoe mensen tijdens de vroegmoderne tijd doorheen contacten tussen samenlevingen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: Atlantische driehoekshandel, handelspost, kolonie.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de vroegmoderne tijd doorheen contacten tussen samenlevingen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: Atlantische driehoekshandel, handelspost, kolonie.
5.1.GL5.10De leerlingen kunnen uitleggen hoe mensen tijdens de vroegmoderne tijd doorheen contacten tussen samenlevingen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: wereldimperialisme, slaafgemaakten, La Malinche.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de vroegmoderne tijd doorheen contacten tussen samenlevingen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: wereldimperialisme, slaafgemaakten, La Malinche.
5.1.GL5.11De leerlingen kunnen uitleggen hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur omgingen, overleefden, samenleefden en dachten: emancipatie, de Verklaring van de Rechten van de mens en van de Burger, het Burgerlijk Wetboek van Napoleon.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur omgingen, overleefden, samenleefden en dachten: emancipatie, de Verklaring van de Rechten van de mens en van de Burger, het Burgerlijk Wetboek van Napoleon.
5.1.GL5.12De leerlingen kunnen uitleggen hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur omgingen, overleefden, samenleefden en dachten: emancipatie, arbeiders en opdrachtgevers, de Bloednacht in Leuven.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur omgingen, overleefden, samenleefden en dachten: emancipatie, arbeiders en opdrachtgevers, de Bloednacht in Leuven.
5.1.GL5.13De leerlingen kunnen uitleggen hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur omgingen, overleefden, samenleefden en dachten: emancipatie, Paul Panda Farnana.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur omgingen, overleefden, samenleefden en dachten: emancipatie, Paul Panda Farnana.
5.1.GL5.14De leerlingen kunnen uitleggen hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur omgingen, overleefden, samenleefden en dachten: industriële en agrarische revolutie, Lieven Bauwens.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur omgingen, overleefden, samenleefden en dachten: industriële en agrarische revolutie, Lieven Bauwens.
5.1.GL5.15De leerlingen kunnen uitleggen hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur omgingen, overleefden, samenleefden en dachten: landschapsverandering (terrils, kleiputten, kanalen, spoorwegen), Charleroi.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur omgingen, overleefden, samenleefden en dachten: landschapsverandering (terrils, kleiputten, kanalen, spoorwegen), Charleroi.
5.1.GL5.16De leerlingen kunnen uitleggen hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur omgingen, overleefden, samenleefden en dachten: migratie, landverhuizers.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur omgingen, overleefden, samenleefden en dachten: migratie, landverhuizers.
5.1.GL5.17De leerlingen kunnen uitleggen hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur omgingen, overleefden, samenleefden en dachten: effecten van verstedelijking op leef- en werkomstandigheden, Charleroi.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur omgingen, overleefden, samenleefden en dachten: effecten van verstedelijking op leef- en werkomstandigheden, Charleroi.
5.1.GL5.18De leerlingen kunnen uitleggen hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur omgingen, overleefden, samenleefden en dachten: leven op het ritme van de klok.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur omgingen, overleefden, samenleefden en dachten: leven op het ritme van de klok.
5.1.GL5.20De leerlingen kunnen uitleggen hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur omgingen, overleefden, samenleefden en dachten: veranderende grenzen, Verdrag van Versailles.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur omgingen, overleefden, samenleefden en dachten: veranderende grenzen, Verdrag van Versailles.
5.1.GL5.21De leerlingen kunnen uitleggen hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur omgingen, overleefden, samenleefden en dachten: imperialisme, conferentie van Berlijn, de Onafhankelijke Kongostaat, Union Minière du Haut-Katanga.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur omgingen, overleefden, samenleefden en dachten: imperialisme, conferentie van Berlijn, de Onafhankelijke Kongostaat, Union Minière du Haut-Katanga.
5.1.GL5.22De leerlingen kunnen uitleggen hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur omgingen, overleefden, samenleefden en dachten: begraafplaatsen, monumenten en gedenktekens van de Eerste Wereldoorlog.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur omgingen, overleefden, samenleefden en dachten: begraafplaatsen, monumenten en gedenktekens van de Eerste Wereldoorlog.
5.1.GL6.1De leerlingen kunnen verklaren hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur omgingen, overleefden, samenleefden en dachten: emancipatie, Emilie Claeys.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur omgingen, overleefden, samenleefden en dachten: emancipatie, Emilie Claeys.
5.1.GL6.2De leerlingen kunnen verklaren hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur omgingen, overleefden, samenleefden en dachten: grondwetten, de Belgische Grondwet.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur omgingen, overleefden, samenleefden en dachten: grondwetten, de Belgische Grondwet.
5.1.GL6.3De leerlingen kunnen verklaren hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: vrouwenemancipatie, de pil.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: vrouwenemancipatie, de pil.
5.1.GL6.4De leerlingen kunnen verklaren hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: internationale rivaliteit en samenwerking, verzetsstrijders en collaborateurs, het Fort van BreendonkDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: internationale rivaliteit en samenwerking, verzetsstrijders en collaborateurs, het Fort van Breendonk
5.1.GL6.5De leerlingen kunnen verklaren hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: internationale rivaliteit en samenwerking, verzetsstrijders en collaborateurs, de Kazerne Dossin.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: internationale rivaliteit en samenwerking, verzetsstrijders en collaborateurs, de Kazerne Dossin.
5.1.GL6.6De leerlingen kunnen verklaren hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: internationale rivaliteit en samenwerking, Verenigde Naties, Europese Unie.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: internationale rivaliteit en samenwerking, Verenigde Naties, Europese Unie.
5.1.GL6.7De leerlingen kunnen verklaren hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: internationale rivaliteit en samenwerking, de Muur van Berlijn.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: internationale rivaliteit en samenwerking, de Muur van Berlijn.
5.1.GL6.8De leerlingen kunnen verklaren hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: vrouwenemancipatie, stemrecht voor vrouwen.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: vrouwenemancipatie, stemrecht voor vrouwen.
5.1.GL6.9De leerlingen kunnen verklaren hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: burgerrechten, het homohuwelijk.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: burgerrechten, het homohuwelijk.
5.1.GL6.10De leerlingen kunnen verklaren hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: burgerrechten, Rosa Parks.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: burgerrechten, Rosa Parks.
5.1.GL6.11De leerlingen kunnen verklaren hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: burgerrechten, gastarbeiders.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: burgerrechten, gastarbeiders.
5.1.GL6.13De leerlingen kunnen verklaren hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: ruimte-exploratie, Neil Armstrong.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: ruimte-exploratie, Neil Armstrong.
5.1.GL6.14De leerlingen kunnen verklaren hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: informatie-, communicatie- en technologierevoluties, het internet.De leerlingen weten hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: informatie-, communicatie- en technologierevoluties, het internet.
📅 Vergeleken: leerplanversie van 05/08/2026 → 16/09/2026 (Op·stap, leerplanversie V1.2)
Wat betekent dit voor jouw school? Als je al een eigen leerdoel gekoppeld had aan een leerplancode die hier als geschrapt staat, blijft dat leerdoel — en alle observaties erop — gewoon bestaan. Enkel de extra info (domein/leerjaar) bij dat leerplandoel verdwijnt. Wil je het leerdoel afstemmen op het huidige leerplan, koppel het dan gewoon opnieuw aan een ander toepasselijk leerplandoel via Beheer → Leerdoelen of Beheer → Thema's.

Geschrapt 2

Deze leerplandoelen staan niet meer in de huidige versie van het leerplan.

CodeDoel
6.3.GL3.3De leerlingen kunnen kleuren benoemen als primaire en secundaire kleuren.
6.3.GL4.5De leerlingen kunnen kleuren ordenen in de kleurencirkel en de begrippen; primaire, secundaire, tertiare en complementaire kleuren gebruiken.

Nieuw toegevoegd 2

Deze leerplandoelen zijn nieuw in de huidige versie.

CodeDoel
6.1.GK3.8De leerlingen kunnen meebrainstormen en meeassociëren om ideeën te verzamelen voor een artistieke opdracht.
6.6.GL6.15De leerlingen kunnen verschillende camerastandpunten gebruiken in functie van het beoogde effect.

Herschreven 32

De code blijft dezelfde, maar de tekst is aangepast (bv. terminologie, bereik of duidelijkere formulering).

CodeOude tekstNieuwe tekst
6.1.GK3.5De leerlingen kunnen persoonlijke ervaringen of onderwerpen verbeelden via een muzische taal.De leerlingen kunnen persoonlijke ervaringen of onderwerpen verbeelden via een muzische taal.
6.1.GL1.4De leerlingen kunnen fantasie-elementen toevoegen aan thema's uit de directe omgeving.De leerlingen kunnen fantasie-elementen toevoegen aan thema's uit de omgeving.
6.1.GL1.6De leerlingen kunnen verschillende oplossingen of ideeën bedenken bij een creatieve opdracht of probleem.De leerlingen kunnen verschillende oplossingen of ideeën bedenken bij een creatieve opdracht.
6.1.GL2.6De leerlingen kunnen verschillende oplossingen en ideeën bedenken bij een creatieve opdracht of probleem en een bewuste keuze maken..De leerlingen kunnen verschillende oplossingen of ideeën bedenken bij een creatieve opdracht en een bewuste keuze maken..
6.1.GL3.6De leerlingen kunnen creatieve denktechnieken inzetten om nieuwe ideeën te genereren.De leerlingen kunnen creatieve denktechnieken gebruiken om nieuwe ideeën te genereren.
6.1.GL4.6De leerlingen kunnen creatieve denktechnieken gebruiken om nieuwe ideeën te ontwikkelen.De leerlingen kunnen creatieve denktechnieken kiezen om nieuwe ideeën te ontwikkelen.
6.1.GL4.8De leerlingen kunnen het onderwerp en de bedoeling van de kunstenaar verwoorden.De leerlingen kunnen het onderwerp en de bedoeling bij artistieke en muzische creaties verwoorden.
6.1.GL5.7De leerlingen kiezen doelgericht creatieve denktechnieken om tot originele ideeën, oplossingen of ontwerpen te komen.De leerlingen kunnen creatieve denktechnieken inzetten om tot originele ideeën, oplossingen of ontwerpen te komen.
6.1.GL6.4De leerlingen beseffen dat de beleving van muzische en artistieke creaties persoons-, tijds- en contextgebonden is en tonen hiervoor respect.De leerlingen beseffen dat de beleving van muzische en artistieke creaties persoons-, tijds- en contextgebonden is en tonen hiervoor respect.
6.1.GL6.7De leerlingen combineren doelgericht creatieve denktechnieken om originele ideeën, oplossingen of ontwerpen te ontwikkelen.De leerlingen kunnen eenvoudige creatieve denktechnieken combineren om originele ideeën of ontwerpen te ontwikkelen.
6.1.PF3.1De leerling neemt onbevangen deel aan muzische en artistieke activiteiten met ondersteuning.De leerling neemt onbevangen deel aan muzische en artistieke activiteiten met ondersteuning.
6.2.GJK.1De leerlingen klappen, tikken of stappen spontaan mee met eenvoudige ritmes.De leerlingen kunnen spontaan mee musiceren op de maat.
6.2.GK2.8De leerlingen kunnen harde en zachte klanken onderscheiden en benoemen.De leerlingen kunnen harde en zachte klanken onderscheiden.
6.2.PF2.1De leerling beleeft met ondersteuning ritme met het volledige lichaam.De leerling beleeft met ondersteuning maat en ritme met het volledige lichaam.
6.2.PF3.1De leerling verkent met ondersteuning eenvoudige ritmes.De leerling verkent met ondersteuning eenvoudige ritmes en maat.
6.3.GJK.8De leerlingen kunnen licht en donker onderscheiden en benoemen.De leerlingen kunnen licht en donker onderscheiden.
6.3.GK2.10De leerlingen kunnen basisvormen gebruiken om figuren weer te geven.De leerlingen kunnen vormen gebruiken om figuren weer te geven.
6.3.GK3.10De leerlingen kunnen eenvoudige vormen gebruiken om figuren weer te geven.De leerlingen kunnen vormen gebruiken om figuren weer te geven.
6.4.GL3.14De leerlingen kunnen gepast reageren door tekst te combineren met handelingen, afgestemd op het spel van de tegenspeler.De leerlingen kunnen gepast reageren op het spel van de tegenspeler door tekst en handelingen te combineren.
6.5.GL2.8De leerlingen kunnen tegengestelde vormen maken met het lichaam of een lichaamsdeel (isolatie).De leerlingen kunnen tegengestelde vormen maken met het lichaam of een lichaamsdeel.
6.5.GL2.12De leerlingen kunnen eenvoudige bewegingen van een partner gelijktijdig spiegelen.De leerlingen kunnen eenvoudige bewegingen van een partner gelijktijdig uitvoeren.
6.5.GL3.6De leerlingen kunnen vormen bedenken, afwisselen en gevarieerd uitvoeren.De leerlingen kunnen vormen en bewegingen bedenken, afwisselen en gevarieerd uitvoeren.
6.5.GL5.11De leerlingen kunnen spierspanning bewust inzetten om een gevoel uit te drukken.De leerlingen kunnen spierspanning bewust inzetten.
6.5.GL5.13De leerlingen kunnen inspelen op elkaar en elkaar volgen.De leerlingen kunnen inspelen op elkaar en leiden of volgen.
6.5.GL6.4De leerlingen kennen en gebruiken bouwsteen tijd bij een dans.De leerlingen kennen en gebruiken bouwsteen tijd van dans.
6.5.GL6.5De leerlingen kennen en gebruiken bouwsteen ruimte bij een dans.De leerlingen kennen en gebruiken bouwsteen ruimte van dans.
6.5.GL6.6De leerlingen kennen en gebruiken bouwsteen vorm bij een dans.De leerlingen kennen en gebruiken bouwsteen vorm van dans.
6.5.GL6.7De leerlingen kennen en gebruiken bouwsteen structuur bij een dans.De leerlingen kennen en gebruiken bouwsteen structuur van dans.
6.5.GL6.8De leerlingen kennen en gebruiken bouwsteen kracht bij een dans.De leerlingen kennen en gebruiken bouwsteen kracht van dans.
6.5.GL6.9De leerlingen kennen en gebruiken bouwsteen relatie bij een dans.De leerlingen kennen en gebruiken bouwsteen relatie van dans.
6.6.GL1.2De leerlingen kunnen geluiden maken en op het juiste moment uitvoeren bij een verhaal.De leerlingen kunnen geluiden op het juiste moment uitvoeren bij een verhaal.
6.6.GL2.4De leerlingen kunnen geluiden maken en toevoegen bij een verhaal.De leerlingen kunnen geluiden toevoegen aan een verhaal.
📅 Vergeleken: leerplanversie van 05/08/2026 → 16/09/2026 (Op·stap, leerplanversie V1.2)
Wat betekent dit voor jouw school? Als je al een eigen leerdoel gekoppeld had aan een leerplancode die hier als geschrapt staat, blijft dat leerdoel — en alle observaties erop — gewoon bestaan. Enkel de extra info (domein/leerjaar) bij dat leerplandoel verdwijnt. Wil je het leerdoel afstemmen op het huidige leerplan, koppel het dan gewoon opnieuw aan een ander toepasselijk leerplandoel via Beheer → Leerdoelen of Beheer → Thema's.

Geschrapt 16

Deze leerplandoelen staan niet meer in de huidige versie van het leerplan.

CodeDoel
7.2.GL2.8De leerlingen kunnen sluipen met controle in speelse opdrachten.
7.2.GL3.7De leerlingen kunnen materialen bewust neerzetten zonder te laten vallen.
7.2.GL3.11De leerlingen kunnen snelheid aanpassen aan omgeving en opdracht (druk, afstand, obstakels).
7.2.GL5.5De leerlingen kunnen gecontroleerd springen met aanloop en afstoot.
7.2.GL5.8De leerlingen kunnen een zwaaibeweging ritmisch onderhouden en gecontroleerd afremmen.
7.2.GL5.14De leerlingen kunnen complexere rotaties uitvoeren.
7.3.GK2.2De leerlingen kunnen een voorwerp met de ene hand stabiliseren en met de andere hand doelgericht bewerken bij meer complexe taken.
7.3.GK3.2De leerlingen kunnen verschillende lichaamsdelen combineren in een beweging.
7.3.GL5.5De leerlingen kunnen complexe lichaamsbewegingen differentiëren en benoemen.
7.3.GL5.6De leerlingen kunnen hun gedrag, tempo en kracht afstemmen op de mogelijkheden van anderen binnen samenwerkingsgerichte bewegingsvormen.
7.3.GL6.7De leerlingen kunnen hun bewegingen zelfstandig variëren en aanpassen.
7.4.SF4.1De leerling neem gericht waar door tijd te nemen om te kijken, luisteren, tasten, ruiken en proeven.
7.4.SF4.2De leerling kan taal geven aan zijn/haar waarneming.
7.4.SF4.3De leerling kan zintuiglijke informatie gebruiken in spel en taakuitvoering.
7.4.SF4.4De leerling kan zintuiglijke informatie bewust opnemen, verwerken en toepassen.
7.4.SF4.5De leerling kan informatie uit zijn waarnemingsgeheugen ophalen en vergelijken met een huidige waarneming.

Nieuw toegevoegd 16

Deze leerplandoelen zijn nieuw in de huidige versie.

CodeDoel
7.2.GK2.17De leerlingen kunnen op verschillende manieren kruipen over en tussen lage hindernissen.
7.2.GK3.32De leerlingen kunnen in bewegingscontexten eenvoudige grootmotorische vaardigheden uitvoeren: roteren.
7.2.GL1.19De leerlingen kunnen een eenvoudige schommel- of zwierbeweging gecontroleerd onderhouden.
7.2.GL2.20De leerlingen kunnen kracht en richting aanpassen aan de afstand en positie van een doel of medeleerling.
7.2.GL3.20De leerlingen kunnen bij verandering van balbezit wisselen tussen aanvallen en verdedigen.
7.2.GL4.20De leerlingen kunnen balanceren combineren met andere bewegingsvaardigheden in wisselende bewegingssituaties.
7.2.GL4.21De leerlingen kunnen hun afzet en landing aanpassen aan richting , afstand, hoogte en hindernis.
7.2.GL4.22De leerlingen kunnen een zwierbeweging gecontroleerd vergroten, verkleinen en stoppen.
7.2.GL4.23De leerlingen kunnen hun manier van heffen en dragen aanpassen aan het materiaal, de afstand en de bewegingsomgeving.
7.2.GL6.22De leerlingen kunnen hangen, schommelen en zwieren functioneel toepassen en aanpassen in verschillende bewegingssituaties.
7.4.GJK.3De leerlingen kunnen zintuiglijke informatie gebruiken in speel- en leeractiviteiten.
7.4.GJK.6De leerlingen kunnen eenvoudige auditieve of visuele signalen herkennen.
7.4.GJK.7De leerlingen kunnen reageren op auditieve of visuele signalen.
7.4.GK2.5De leerlingen kunnen informatie uit hun waarnemingsgeheugen ophalen en vergelijken met een huidige waarneming.
7.4.GK3.4De leerlingen kunnen zintuiglijke informatie bewust opnemen, verwerken en toepassen.
7.5.GL4.7Leerlingen kunnen hun eigen mogelijkheden en grenzen inschatten en hiermee rekening houden bij het aangaan van bewegingsuitdagingen.

Herschreven 109

De code blijft dezelfde, maar de tekst is aangepast. Bij dit vak gaat het vaker om écht herschreven zinnen dan bij andere vakken, niet enkel woordwijzigingen.

CodeOude tekstNieuwe tekst
7.1.GJK.1De leerlingen oefenen eenvoudige functionele grepen in dagdagelijkse handelingen.De leerlingen kunnen eenvoudige functionele grepen gebruiken in dagdagelijkse handelingen.
7.1.GK2.1De leerlingen kunnen kleine materialen manipuleren.De leerlingen kunnen kleine materialen vastnemen, loslaten en manipuleren.
7.1.GL2.1De leerlingen kunnen fijne bewegingen sneller en vloeiender uitvoeren.De leerlingen kunnen functionele grepen vlot en gecontroleerd aanpassen tijdens het manipuleren van klein materiaal.
7.1.GL3.1De leerlingen kunnen differentiëren in grepen afhankelijk van het voorwerp.De leerlingen kunnen differentiëren in grepen afhankelijk van het voorwerp en de handeling.
7.2.GJK.2De leerlingen kunnen een bal naar een doel rollen.De leerlingen kunnen een bal of ander rollend voorwerp naar een doel rollen.
7.2.GJK.5De leerlingen kunnen hun lichaamsgewicht kort dragen in eenvoudige hangposities.De leerlingen kunnen hun lichaamsgewicht kort met beide handen dragen in een eenvoudige hangpositie.
7.2.GJK.9De leerlingen kunnen ervaren hoe hun lichaam beweegt op rollend en glijdend materiaal.De leerlingen kunnen hun houding behouden tijdens eenvoudige rij- en glijbewegingnen.
7.2.GJK.11De leerlingen verkennen verschillende materialen tijdens vrij bewegen.De leerlingen kunnen verschillende materialen gebruiken tijdens vrij bewegingsspel.
7.2.GJK.12De leerlingen kunnen motorische basisvaardigheden zoals stappen, kruipen, rollen en gooien inzetten tijdens verschillende soorten bewegingsspelen.De leerlingen kunnen eenvoudige motorische basisvaardigheden inzetten in een bewegingsspel.
7.2.GJK.14De leerlingen kunnen tijdens het lopen stilstaande/vaste hindernissen bewust ontwijken.De leerlingen kunnen tijdens het lopen stilstaande/vaste hindernissen ontwijken.
7.2.GJK.16De leerlingen ontdekken de KLUSCE-componenten in eenvoudige bewegingscontexten.De leerlingen kunnen in eenvoudige bewegingssituates hun fysieke mogelijkheden inzetten.
7.2.GK2.3De leerlingen kunnen hun evenwicht bewaren op smalle en verhoogde vlakken en eenvoudige houdingen aannemen in balans.De leerlingen kunnen hun evenwicht bewaren op smalle en verhoogde vlakken en eenvoudige balanshoudingen aannemen.
7.2.GK2.5De leerlingen kunnen zich vasthouden aan een stabiel toestel (rekstok, klimrek) en kleine bewegingen maken.De leerlingen kunnen verschillende eenvoudige hangposities aannemen en kort behouden.
7.2.GK2.8De leerlingen kunnen elkaar duwen en trekken op een speelse, gecontroleerde manier.De leerlingen kunnen materialen van verschillende grootte en vorm oppakken en over een korte afstand dragen.
7.2.GK2.9De leerlingen kunnen sluipen en kruipen op handen en voeten over een zacht parcours, met aandacht voor een lage lichaamshouding en gecontroleerde voortbeweging.De leerlingen kunnen zich laag voortbewegen onder of door lage hindernissen.
7.2.GK2.10De leerlingen kunnen roteren om de lengteas.De leerlingen kunnen op een horizontaal vlak roteren om de lengteas.
7.2.GK2.11De leerlingen kunnen eenvoudige glijbewegingen uitvoeren op zachte of schuine vlakken.De leerlingen kunnen vanuit verschillende houdingen over een hellend of glad vlak glijden.
7.2.GK2.12De leerlingen kunnen gesloten opdrachten uitvoeren met uitlokkende factoren of suggesties.De leerlingen kunnen eenvoudige bewegingsopdrachten uitvoeren binnen een herkenbaar spelidee.
7.2.GK2.13De leerlingen kunnen materialen ontdekken en gebruiken binnen hun eigen spel.De leerlingen kunnen materialen gebruiken om hun bewegingsspel vorm te geven.
7.2.GK2.16De leerlingen kunnen in eenvoudige bewegingscontexten de eigen mogelijkheden ontdekken van de KLUSCE-componenten.De leerlingen kunnen de eigen mogelijkheden ontdekken van de KLUSCE-componenten in gevarieerde bewegingssituaties.
7.2.GK3.1De leerlingen kunnen werpen en vangen combineren met korte verplaatsingen.De leerlingen kunnen werpen en vangen combineren met een eenvoudige verplaatsingen.
7.2.GK3.4De leerlingen kunnen tikken, slaan, trappen of stuiten met diverse materialen.De leerlingen kunnen voorwerpen met handen, voeten of eenvoudig slagmateriaal in beweging brengen.
7.2.GK3.6De leerlingen kunnen eenvoudige bewegende materialen gebruiken in diverse bewegingssituaties.De leerlingen kunnen zich gecontroleerd voortbewegen over verschillende soorten steunvlakken.
7.2.GK3.9De leerlingen kunnen springen van iets hogere toestellen met aandacht voor het buigen bij de landing.De leerlingen kunnen van verschillende lage hoogtes springen en gecontroleerd landen.
7.2.GK3.11De leerlingen kunnen zwaaibewegingen starten en stoppen vanuit een zit- of hangpositie.De leerlingen kunnen een schommelbeweging onderhouden en gecontroleerd afremmen.
7.2.GK3.12De leerlingen kunnen verschillende vormen van zwieren uitproberen met ondersteuning.De leerlingen kunnen met ondersteuning eenvoudige zwierbewegingen uitvoeren vanuit een hangpositie.
7.2.GK3.13De leerlingen kunnen verschillende hangposities aannemen.De leerlingen kunnen verschillende hangposities aannemen en kort behouden.
7.2.GK3.15De leerlingen kunnen grotere materialen samen met de leerkracht veilig verplaatsen.De leerlingen kunnen samen grotere materialen veilig verplaatsen.
7.2.GK3.21De leerlingen kunnen roteren om de breedteas van een hellend vlak.De leerlingen kunnen op een hellend vlak een eenvoudige rotatie rond de breedteas van het lichaam uitvoeren
7.2.GK3.22De leerlingen kunnen korte glijbewegingen uitvoeren met controle over houding en remmen.De leerlingen kunnen tijdens het rijden/glijden hun houding behouden en de beweging gecontroleerd afremmen.
7.2.GK3.27De leerlingen kunnen tijdens het lopen bewegende hindernissen ontwijken.De leerlingen kunnen tijdens het lopen hun bewegingsrichting aanpassen aan de bewegende personen of voorwerpen.
7.2.GL1.2De leerlingen kunnen een bal stuiten met twee handen of afwisselend links/rechts.De leerlingen kunnen een bal herhaald gecontroleerd stuiten.
7.2.GL1.3De leerlingen kunnen zich gecontroleerd voortbewegen over smalle, labiele ondergronden en onderweg korte houdingen aannemen.De leerlingen kunnen zich gecontroleerd voortbewegen over smalle, labiele steunvlakken en onderweg korte balanshoudingen aannemen.
7.2.GL1.4De leerlingen kunnen aanlopen, afstoten en landen op twee voeten.De leerlingen kunnen na een korte aanloop afzetten en gecontroleerd landen.
7.2.GL1.5De leerlingen kunnen het eigen lichaamsgewicht dragen en verplaatsen in verschillende hangposities.De leerlingen kunnen het eigen lichaamsgewicht dragen en verplaatsen in verschillende hangposities.
7.2.GL1.6De leerlingen kunnen samenwerken bij het dragen van groter materiaal.De leerlingen kunnen samen met anderen materiaal gecontroleerd opnemen, dragen en neerzetten.
7.2.GL1.11De leerlingen kunnen eenvoudige spelideeën begrijpen en uitvoeren binnen speelse bewegingscontexten.De leerlingen kunnen handelen volgens het spelidee en eenvoudige spelregels.
7.2.GL1.14De leerlingen herkennen eenvoudige situaties van aanvallen en verdedigen in bewegingsspelenDe leerlingen kunnen in eenvoudige spelvormen herkennen wanneer ze aanvallen of verdedigen.
7.2.GL1.17De leerlingen kunnen functionele kracht gebruiken bij klimmen, duwen, trekken en ondersteunen van lichaamsgewicht.De leerlingen kunnen functionele kracht inzetten bij het dragen en verplaatsen van het eigen lichaam en materialen.
7.2.GL2.1De leerlingen kunnen richten naar grotere doelen op verschillende hoogtes.De leerlingen kunnen werpen, vangen en trappen combineren met eenvoudige verplaatsingen.
7.2.GL2.2De leerlingen kunnen hun evenwicht behouden op labiele schuine vlakken met grotere hellingsgraad.De leerlingen kunnen hun evenwicht behouden tijdens verplaatsingen over steunvlakken die variëren in breedte, hoogte helling of stabiliteit.
7.2.GL2.3De leerlingen kunnen springen van toestellen met correcte landingstechniek.De leerlingen kunnen verschillende afzet- en landingsvormen toepassen in eenvoudige sprongsituaties.
7.2.GL2.4De leerlingen kunnen korte zwaaibewegingen zelfstandig onderhouden in een stabiele hang- of zithouding.De leerlingen kunnen een schommel- of zwierbeweging zelfstandig onderhouden en gecontroleerd afremmen
7.2.GL2.6De leerlingen kunnen onderscheid maken tussen tillen met armen en tillen met steun van benen (eerste notie van juiste heftechniek).De leerlingen kunnen hun houding en greep aanpassen aan de grootte, vorm en het gewicht van het materiaal.
7.2.GL2.7De leerlingen kunnen klimmen in verticale structuren met veilige afdaling.De leerlingen kunnen klimmen in verticale structuren met veilige afdaling.
7.2.GL2.9De leerlingen kunnen een voorwaartse rol uitvoeren op een horizontaal vlak.De leerlingen kunnen verschillende rotaties rond de lengte- en breedteas gecontroleerd uitvoeren.
7.2.GL2.15De leerlingen onderscheiden aanvallende en verdedigende situaties in eenvoudige spelvormen.De leerlingen kunnen in eenvoudige spelvormen passend handelen als aanvaller of verdediger.
7.2.GL2.18De leerlingen kunnen hun snelheid variëren.De leerlingen kunnen hun bewegingssnelheid aanpassen aan een eenvoudige bewegingsopdracht.
7.2.GL3.2De leerlingen kunnen dribbelen met één hand of één voet.De leerlingen kunnen dribbelen met één hand of met de voet tijdens een verplaatsing.
7.2.GL3.3De leerlingen kunnen gecontroleerde verplaatsingen uitvoeren op labiele schuine vlakken.De leerlingen kunnen tijdens verplaatsingen hun lichaamshouding aanpassen om het evenwicht te behouden of te herstellen.
7.2.GL3.4De leerlingen kunnen springen met ritme.De leerlingen kunnen opeenvolgende sprongen uitvoeren in een regelmatig of opgelegd ritme.
7.2.GL3.6De leerlingen kunnen materialen rugsparend heffen: buigen door knieën, rechte rug, dicht bij het lichaam.De leerlingen kunnen materialen gecontroleerd heffen, dragen en neerzetten met een aan de last aangepaste lichaamshouding.
7.2.GL3.8De leerlingen kunnen vlot klimmen/kruipen/klauteren en sluipen over verschillende hoogtes en richtingen.De leerlingen kunnen hun manier van voortbewegen aanpassen aan verschillen in hoogte, richting en beschikbare steun- en grijppunten.
7.2.GL3.9De leerlingen kunnen een voorwaartse rol zelfstandig uitvoeren op mat en rechtkomen zonder handen te plaatsen.De leerlingen kunnen een rotatie gecontroleerd uitvoeren om van richting of houding te veranderen.
7.2.GL3.10De leerlingen kunnen slalom, bochten en richtingswissels uitvoeren zonder te stoppen.De leerlingen kunnen tijdens het rijden hun snelheid en rijrichting aanpassen aan de omgeving en de bewegingsopdracht.
7.2.GL3.12De leerlingen kunnen in diverse bewegingsactiviteiten verschillende rollen opnemen.De leerlingen kunnen in diverse bewegingsactiviteiten wisselen tussen aanvallende en verdedigende rollen.
7.2.GL3.15De leerlingen stemmen hun handelen af op medespelers, tegenstanders en ruimte.De leerlingen kunnen in eenvoudige spelsituaties een passende aanvallende of verdigende actie kiezen.
7.2.GL3.18De leerlingen kunnen coördinatie en evenwicht combineren bij eenvoudige parcoursen of toestellen.De leerlingen kunnen bewegingen gecoördineerd uitvoeren met behoud of herselt van evenwicht.
7.2.GL3.19De leerlingen kunnen een regelmatig bewegingsritme behouden tijdens activiteiten.De leerlingen kunnen hun bewegingstempo aanpassen aan veranderingen binnen een bewegingsopdracht.
7.2.GL4.2De leerlingen kunnen een voorwerp drijven met of zonder slagmateriaal.De leerlingen kunnen een voorwerp gecontroleerd voortbewegen met haden, voeten of slagmateriaal.
7.2.GL4.17De leerlingen kunnen in bewegingscontexten bewegingen een bepaalde tijd aan een opgelegd tempo volhouden.De leerlingen kunnen in bewegingscontexten bewegingen een bepaalde tijd aan een passend tempo volhouden.
7.2.GL5.6De leerlingen kunnen sprongen op en over toestellen uitvoeren.De leerlingen kunnen sprongen op en over toestellen uitvoeren en hun uitvoering aanpassen aan de hoogte en opstelling
7.2.GL5.7De leerlingen kunnen sprongen en overgangen uitvoeren vanuit een zwaai of zwier naar een gecontroleerde landing of een nieuw toestelDe leerlingen kunnen sprongen en overgangen uitvoeren vanuit een zwaai of zwier naar een gecontroleerde landing of een nieuw toestel.
7.2.GL5.10De leerlingen kunnen inschatten of een last te zwaar is om alleen te tillen en hulp vragen.De leerlingen kunnen inschatten of ze materiaal zelfstandig kunnen hanteren of daarbij hulp nodig hebben.
7.2.GL5.11De leerlingen kunnen het materiaal verplaatsen op de meest efficiënte manier.De leerlingen kunnen een passende manier kiezen om materiaal alleen of samen te hanteren.
7.2.GL5.13De leerlingen kunnen rotaties combineren.De leerlingen kunnen een passende rotatievorm gebruiken bij verschillende bewegingsopdrachten en hindernissen.
7.2.GL5.15De leerlingen kunnen complexe trajecten rijden met nauwkeurige bochten, slaloms en snelheidswissels.De leerlingen kunnen hun rijgedrag aanpassen aan wisselende omstandigheden in een parcours of bewegingsomgeving.
7.2.GL5.16De leerlingen kunnen risico’s inschatten en veilige keuzes maken tijdens rijd- en glijopdrachten.De leerlingen kunnen risico’s inschatten en veilige keuzes maken tijdens rij- en glijopdrachten.
7.2.GL5.17De leerlingen kunnen strategisch handelen binnen spelideeën.De leerlingen kunnen hun tactische handelen aanpassen aan de positie en het handelen van de medespelers en tegenspelers.
7.2.GL5.19De leerlingen kunnen stappen en lopen combineren met tactische keuzes binnen spel- en sportcontexten.De leerlingen kunnen kunnen een passend looptempo kiezen en behouden in functie van de bewegingsopdracht.
7.2.GL5.24De leerlingen kunnen complexere coördinaties uitvoeren.De leerlingen kunnen beweging gecoördineerd uitvoeren waarbij meerdere bewegingen gelijktijdig op opeenvolgend worden gecombineerd.
7.2.GL5.25De leerlingen kunnen duurbewegingen aan een gelijkmatig tempo volhouden.De leerlingen kunnen een bewegingsactiviteit gedurende langere tijd volhouden en hun tempo daarbij aanpassen.
7.2.GL6.4De leerlingen kunnen zelfstandig veiligheidsaspecten toepassen bij afstoten (juist steunpunt, correcte arm- en beenzwaai) en landen (doorbuigen, dempen).De leerlingen kunnen hun afzet, vlucht en landing aanpassen aan wisselende en complexere sprongsituaties.
7.2.GL6.7De leerlingen kunnen op een veilige rugsparende manier opbouwen en opruimen.De leerlingen kunnen bij het opbouwen , verplaatsen en opruimen van materiaal een passende hef- en draagwijze kiezen en toepassen.
7.2.PF3.5De leerling kan zijn stapsnelheid aanpassen.De leerling kan zijn/haar stapsnelheid aanpassen.
7.2.SF4.1De leerling kan via zijn houding inspelen op verschillende activiteiten en situaties.De leerling kan via zijn/haar houding inspelen op verschillende activiteiten en situaties.
7.2.ZZZ.10De leerlingen kunnen 50 meter aansluitend en doelmatig zwemmen in diep water zonder hulpmiddelen.De leerlingen kunnen vijftig meter aansluitend en doelmatig zwemmen in diep water zonder hulpmiddelen.
7.3.GJK.1De leerlingen kunnen belangrijke lichaamsdelen tonen.De leerlingen kunnen belangrijke lichaamsdelen bij zichzelf aanwijzen en gebruiken in eenvoudige bewegingsopdrachten.
7.3.GJK.3De leerlingen kunnen via spel bewegingen, houdingen en krachten ervaren en herkennen wat hun lichaam voelt tijdens eenvoudige opdrachten.De leerlingen kunnen eenvoudige verschillen in lichaamshouding en spierspanning waarnemen tijdens bewegingsopdrachten.
7.3.GJK.7De leerlingen kunnen stoppen aan ruimtelijke grenzen.De leerlingen kunnen stoppen aan afgebakende ruimtelijke grenzen.
7.3.GK2.1De leerlingen kunnen meer gedetailleerde lichaamsdelen aansturen.De leerlingen kunnen afzonderlijke lichaamsdelen gericht bewegen.
7.3.GK2.3De leerlingen kunnen een beweging tijdelijk stoppen en opnieuw starten op een afgesproken signaal.De leerlingen kunnen een beweging stoppen en opnieuw starten op een afgesproken signaal.
7.3.GK3.1De leerlingen kunnen signalen van hun lichaam herkennen en spanning, kracht en evenwicht aanpassen aan de eisen van de bewegingstaak.De leerlingen kunnen verschillen in lichaamshouding, spierspanning en evenwicht waarnemen tijdens bewegen.
7.3.GK3.6De leerlingen kunnen verschillende bewegingsrichtingen combineren tijdens het verplaatsen.De leerlingen kunnen zich in verschillende richtingen verplaatsen en van richting veranderen.
7.3.GK3.8De leerlingen kunnen snel van richting veranderen in overzichtelijke spelsituaties.De leerlingen kunnen tijdens het bewegen eenvoudige afstanden tot personen, voorwerpen en obstakels inschatten.
7.3.GL1.1De leerlingen kunnen beweging controleren door tempo, richting en kracht bewust te regelen.De leerlingen kunnen hun lichaamshouding en spierspanning aanpassen tijdens eenvoudige bewegingsopdrachten.
7.3.GL1.2De leerlingen kunnen ritmische bewegingen combineren binnen eenvoudige reeksen.De leerlingen kunnen eenvoudige bewegingsreeks uitvoeren volgens een herkenbaar ritmisch patroon.
7.3.GL1.3De leerlingen kunnen bewegingen afstemmen of aanpassen aan afstanden.De leerlingen kunnen bewegingen afstemmen of aanpassen aan afstanden of personen.
7.3.GL1.4De leerlingen kunnen links en recht onderscheiden op het eigen lichaam tijdens bewegingsopdrachten.De leerlingen kunnen links en rechts onderscheiden op het eigen lichaam tijdens bewegingsopdrachten.
7.3.GL2.1De leerlingen kunnen kracht, tempo en evenwicht combineren om bewegingen gecontroleerd uit te voeren.De leerlingen kunnen hun lichaamshouding en spierspanning tijdens een beweging aanpassen waneer de beweingssituatie verandert.
7.3.GL4.2De leerlingen kunnen in bewegingscontexten omgaan en rekening houden met de eigen lichaamskenmerken (mogelijkheden en beperkingen).*De leerlingen kunnen in bewegingscontexten omgaan en rekening houden met de eigen lichaamskenmerken (mogelijkheden en beperkingen).
7.3.GL4.3De leerlingen kunnen samen in groep synchroon bewegen op ritme.De leerlingen kunnen hun bewegingen in groep afstemmen op een gemeenschapplijk ritme.
7.3.GL5.1De leerlingen kunnen proprioceptieve informatie gebruiken voor technische uitvoering en motorische precisie.De leerlingen kunnen informatie over de positie en beweging van hun lichaam gebruiken om bewegingen nauwkeuriger uit te voeren en bij te sturen.
7.3.GL5.3De leerlingen kunnen zelf complexe ruimtelijke opstellingen ontwerpen en uitvoeren die vloeiend in elkaar passen.De leerlingen kunnen hun positie, afstand, richting en bewegingsbaan aanpassen aan veranderingen in de bewegingssituatie.
7.3.GL5.4De leerlingen kunnen hun lichaam bewust positioneren in relatie tot materiaal en anderen.De leerlingen kunnen beide lichaamszijden functioneel inzetten in gevarieerde bewegingssituaties
7.3.GL6.1De leerlingen kunnen lichaamsperceptie verfijnd en langdurig inzetten om technisch correcte bewegingen uit te voeren in complexe situaties.De leerlingen kunnen informatie over hun lichaamshouding, beweging en spierspanning zelfstandig gebruiken om bewegingen uit te voeren en bij te sturen in complexere bewegingsituaties.
7.3.GL6.3De leerlingen kunnen in een ritmische groepsactiviteit bewust de rol van leider en volger opnemen en afwisselen, waarbij ze hun bewegingen afstemmen op het ritme, tempo en de groep.De leerlingen kunnen in een ritmische groepsactiviteit hun bewegingen afstemmen op het ritme en de bewegingen van anderen.
7.3.GL6.5De leerlingen kunnen zich oriënteren en verplaatsen in complexe ruimtelijke contexten.De leerlingen kunnen ruimtelijke informatie over personen, voorwerpen en bewegingsbanen gebruiken op hun verplaatsing zelfstandig bij te sturen.
7.3.GL6.8De leerlingen kunnen in bewegingscontexten hun voorkeurslichaamszijde ontwikkelen en gericht inzetten bij bewegingsactiviteiten.*De leerlingen kunnen in bewegingscontexten hun voorkeurslichaamszijde ontwikkelen en gericht inzetten bij bewegingsactiviteiten.
7.4.GJK.1De leerlingen kunnen eenvoudige auditieve of visuele signalen herkennen.De leerlingen kunnen gedurende een korte tijd met aandacht kijken, luisteren, tasten, ruiken en proeven tijdens een speel- en leeractiviteit.
7.4.GJK.2De leerlingen kunnen reageren op auditieve of visuele signalen.De leerlingen kunnen taal geven aan hun waarneming.
7.4.GL1.1De leerlingen kunnen snel reageren op één signaal in spelcontext.De leerlingen kunnen een afgesproken bewegingsreactie uitvoeren op een zintuigelijk signaal in een spel- of bewegingscontext.
7.4.PF1.1De leerling verkent zijn dichte omgeving met nabijheidszintuigen.De leerling verkent zijn/haar dichte omgeving met nabijheidszintuigen.
7.4.PF3.2De leerling neemt waar met toenemende aandacht voor details en het geheel.De leerling neemt waar met toenemende aandacht voor details en het geheel.
7.5.GJK.1De leerlingen blijven deelnemen aan speelse bewegingssituaties en verkennen deze op een actieve manier.De leerlingen nemen actief deel aan speelse bewegingssituaties en proberen verschillende bewegingsmogelijkheden uit.
7.5.GK3.1De leerlingen kunnen kleine uitdagingen zelfstandig aangaan.De leerlingen kunnen haalbare bewegingsuitdagingen zelfstandig aangaan.
7.5.GK3.3De leerlingen kunnen in hun bewegingsvaardigheid durf tonen.*De leerlingen kunnen in hun bewegingsvaardigheid durf tonen.
7.5.GK3.4De leerlingen kunnen samenwerken binnen een bewegingsopdracht met een beperkt aantal kinderen en eenvoudige afspraken.De leerlingen kunnen samenwerken binnen een bewegingsopdracht met een beperkt aantal kinderen en eenvoudige afspraken volgen.
7.5.GL5.1De leerlingen kunnen teamgericht werken en verantwoordelijkheid nemen voor het groepsresultaat.De leerlingen kunnen teamgericht werken en verantwoordelijkheid nemen voor hun bijdrage aan de groep.
📅 Vergeleken: leerplanversie van 05/08/2026 → 16/09/2026 (Op·stap, leerplanversie V1.2)
Wat betekent dit voor jouw school? Als je al een eigen leerdoel gekoppeld had aan een leerplancode die hier als geschrapt staat, blijft dat leerdoel — en alle observaties erop — gewoon bestaan. Enkel de extra info (domein/leerjaar) bij dat leerplandoel verdwijnt. Wil je het leerdoel afstemmen op het huidige leerplan, koppel het dan gewoon opnieuw aan een ander toepasselijk leerplandoel via Beheer → Leerdoelen of Beheer → Thema's.

Geschrapt 1

Deze leerplandoelen staan niet meer in de huidige versie van het leerplan.

CodeDoel
8.2.GL3.4De leerlingen kunnen navigeren en zoeken binnen een afgebakende digitale toepassing.
📅 Vergeleken: leerplanversie van 05/08/2026 → 16/09/2026 (Op·stap, leerplanversie V1.2)
Wat betekent dit voor jouw school? Als je al een eigen leerdoel gekoppeld had aan een leerplancode die hier als geschrapt staat, blijft dat leerdoel — en alle observaties erop — gewoon bestaan. Enkel de extra info (domein/leerjaar) bij dat leerplandoel verdwijnt. Wil je het leerdoel afstemmen op het huidige leerplan, koppel het dan gewoon opnieuw aan een ander toepasselijk leerplandoel via Beheer → Leerdoelen of Beheer → Thema's.

Geschrapt 1

Deze leerplandoelen staan niet meer in de huidige versie van het leerplan.

CodeDoel
9-1.2.GL1.5De leerlingen kennen het begrip: de zaden.

Nieuw toegevoegd 1

Deze leerplandoelen zijn nieuw in de huidige versie.

CodeDoel
9-1.2.GL1.10De leerlingen kennen het begrip: de zaden.

Herschreven 21

De code blijft dezelfde, maar de tekst is aangepast (bv. terminologie, bereik of duidelijkere formulering).

CodeOude tekstNieuwe tekst
9-1.1.GK3.4De leerlingen kennen de betekenis van volgende verkeersregels en signalen: verkeerslichten voor voetgangers en fietsers;De leerlingen kennen de betekenis van volgende verkeersregels, afspraken en signalen: verkeerslichten voor voetgangers en fietsers;
9-1.1.GK3.5De leerlingen kunnen het stopbord B5 herkennen.De leerlingen kennen de betekenis van volgende verkersregels, afspraken en signalen: stoppen bij een stopbord;
9-1.1.GL1.2De leerlingen kennen de betekenis van volgende verkeersregels en signalen: auditieve signalen: fietsbel, claxon.De leerlingen kennen de betekenis van volgende verkeersregels en signalen: auditieve signalen: fietsbel, claxon;
9-1.1.GL2.1De leerlingen kennen de betekenis van volgende verkeersregels en signalen: hoe veilig oversteken als er geen voorzieningen zijn;De leerlingen kennen de betekenis van volgende verkeersregels en signalen: hoe veilig oversteken als er geen voorzieningen zijn.
9-1.1.GL4.1De leerlingen kennen de betekenis van volgende verkeersregelsen signalen: fietsen op het fietspad rechts in de rijrichting of op het voetpad.De leerlingen kennen de betekenis van volgende verkeersregelsen signalen: fietsen op het fietspad rechts in de rijrichting of op het voetpad;
9-1.1.GL4.14De leerlingen kunnen als fietser anticiperen op risicovolle situaties in het verkeer: de dode hoek.De leerlingen kunnen als fietser anticiperen op risicovolle situaties in het verkeer: de dode hoek;
9-1.1.GL4.15De leerlingen kunnen als fietser anticiperen op risicovolle situaties in het verkeer: voorrangsregels voor de tram en de bus.De leerlingen kunnen als fietser anticiperen op risicovolle situaties in het verkeer: voorrangsregels voor de tram en de bus;
9-1.1.GL6.2De leerlingen kennen de betekenis van volgende verkeersregels en signalen: passagiers van een bus of tram hebben hebben bij het uit- of instappen voorrang;De leerlingen kennen de betekenis van volgende verkeersregels en signalen: passagiers van een bus of tram hebben bij het uit- of instappen voorrang;
9-1.2.GK3.13De kleuters weten dat ze in een noodsituatie meteen een volwassene moeten verwittigen.De leerlingen weten dat ze in een noodsituatie meteen een volwassene moeten verwittigen.
9-1.2.GL1.2De leerlingen kennen de begrippen: de oliën en de vetten.De leerlingen kennen de begrippen: de oliën en de vetten.
9-1.2.GL1.3De leerlingen kunnen met behulp van de voedingsdriehoek voedingsmiddelen identificeren die goed zijn voor de gezondheid.De leerlingen kunnen met behulp van de voedingsdriehoek voedingsmiddelen identificeren die gezond zijn.
9-1.2.GL1.4De leerlingen kunnen met behulp van de voedingsdriehoek voedingsmiddelen identificeren die ongezond zijn.De leerlingen kunnen met behulp van de voedingsdriehoek voedingsmiddelen identificeren die ongezond zijn.
9-1.2.GL2.7De leerlingen weten met behulp van de voedingsdriehoek welke voedingsmiddelen ze best zoveel mogelijk - minder - zo weinig mogelijk eten.De leerlingen kennen de structuur van de voedingsdriehoek.
9-1.2.GL2.10De leerlingen kunnen in een gesimuleerde situatie het noodnummer indrukken en hun naam zeggen en de locatie meedelen.De leerlingen kunnen in een gesimuleerde situatie het noodnummer indrukken, hun naam zeggen en de locatie meedelen.
9-1.2.GL3.3De leerlingen begrijpen dat bewegen invloed heeft op gezondheid en fitheid.De leerlingen weten dat bewegen invloed heeft op gezondheid en fitheid.
9-1.2.GL4.2De leerlingen kennen het noodnummer 112.*De leerlingen kennen het noodnummer 112.
9-1.2.GL4.5De leerlingen kennen het belang van voldoende beweging.*De leerlingen kennen het belang van voldoende bewegen.
9-1.2.GL4.6De leerlingen kennen het belang van een correcte lichaamshouding.*De leerlingen kennen het belang van een correcte lichaamshouding.
9-1.2.GL5.2De leerlingen kunnen de invloed van genotsmiddelen op hun gedragingen beschrijven.De leerlingen kunnen de invloed van genotsmiddelen op gedragingen beschrijven.
9-1.2.GL5.7De leerlingen kunnen verwoorden wat het effect is van bewegen op hun fysieke gezondheid.De leerlingen kunnen verwoorden wat het effect is van bewegen op gezondheid.
9-1.2.GL6.6De leerlingen kennen het effect van bewegen op hun fysieke gezondheid.De leerlingen kennen het effect van bewegen op gezondheid.
📅 Vergeleken: leerplanversie van 05/08/2026 → 16/09/2026 (Op·stap, leerplanversie V1.2)
Wat betekent dit voor jouw school? Als je al een eigen leerdoel gekoppeld had aan een leerplancode die hier als geschrapt staat, blijft dat leerdoel — en alle observaties erop — gewoon bestaan. Enkel de extra info (domein/leerjaar) bij dat leerplandoel verdwijnt. Wil je het leerdoel afstemmen op het huidige leerplan, koppel het dan gewoon opnieuw aan een ander toepasselijk leerplandoel via Beheer → Leerdoelen of Beheer → Thema's.

Nieuw toegevoegd 1

Deze leerplandoelen zijn nieuw in de huidige versie.

CodeDoel
9-2.2.GJK.2De leerlingen kunnen gerichte informatie uit een leeractiviteit waarnemen.

Herschreven 12

De code blijft dezelfde, maar de tekst is aangepast (bv. terminologie, bereik of duidelijkere formulering).

CodeOude tekstNieuwe tekst
9-2.1.PF1.10De leerling richt zijn aandacht op een activiteit in interactie met de leraar.De leerling richt zijn/haar aandacht op een activiteit in interactie met de leraar.
9-2.1.PF3.6De leerling kan concepten uit zijn leer- en leefwereld verkennen via concrete ervaringen.De leerling kan concepten uit zijn/haar leer- en leefwereld verkennen via concrete ervaringen.
9-2.1.PF3.8De leerling kan concepten uit zijn leer- en leefwereld verruimen en verdiepen door er met ondersteuning nieuwe ervaringen aan te koppelen.De leerling kan concepten uit zijn/haar leer- en leefwereld verruimen en verdiepen door er met ondersteuning nieuwe ervaringen aan te koppelen.
9-2.1.SF4.19De leerling kan zijn taakuitvoering bijsturen bij kleine variaties op de aangeleerde routine.De leerling kan zijn/haar taakuitvoering bijsturen bij kleine variaties op de aangeleerde routine.
9-2.1.SF6.1De leerling kan oorzaak-gevolg inschatten bij plannen en probleemoplossing.De leerling kan oorzaak-gevolg inschatten bij plannen en probleemoplossing.
9-2.2.PF1.1De leerling reageert op een nieuwe prikkel in zijn directe omgeving.De leerling reageert op een nieuwe prikkel in zijn/haar directe omgeving.
9-2.2.PF3.9De leerling kan met ondersteuning taal geven aan zijn handelen waardoor hij de handeling kan onthouden, terug kan oproepen en automatiseren.De leerling kan met ondersteuning taal geven aan zijn/haar handelen waardoor hij/zij de handeling kan onthouden, terug kan oproepen en automatiseren.
9-2.2.SF4.1De leerling kan taal geven aan zijn handelen waardoor hij de handeling kan onthouden, terug kan oproepen en automatiseren.De leerling kan taal geven aan zijn/haar handelen waardoor hij/zij de handeling kan onthouden, terug kan oproepen en automatiseren.
9-2.2.SF4.11De leerling kan aangeven wat hij moeilijk vindt of wat hem helpt.De leerling kan aangeven wat hij/zij moeilijk vindt of wat kan helpen.
9-2.2.SF4.14De leerling kan met ondersteuning een passende aanpak kiezen en gebruiken om een taak af te ronden..De leerling kan met ondersteuning een passende aanpak kiezen en gebruiken om een taak af te ronden.
9-2.3.SF5.1De leerling weet welke hulpmiddelen/strategieën hem ondersteunen om binnen zijn/haar mogelijkheden informatie op te nemen, te werwerken en weer te geven, te onthouden.De leerling weet welke hulpmiddelen/strategieën hem/haar ondersteunen om binnen eigen mogelijkheden informatie op te nemen, te werwerken en weer te geven, te onthouden.
9-2.3.SF5.2De leerling weet wat zijn mogelijkheden en zijn moeilijkheden zijn om bepaalde informatie op te nemen, te verwerken en weer te geven..De leerling weet wat eigen mogelijkheden en moeilijkheden zijn om bepaalde informatie op te nemen, te verwerken en weer te geven..
📅 Vergeleken: leerplanversie van 05/08/2026 → 16/09/2026 (Op·stap, leerplanversie V1.2)
Wat betekent dit voor jouw school? Als je al een eigen leerdoel gekoppeld had aan een leerplancode die hier als geschrapt staat, blijft dat leerdoel — en alle observaties erop — gewoon bestaan. Enkel de extra info (domein/leerjaar) bij dat leerplandoel verdwijnt. Wil je het leerdoel afstemmen op het huidige leerplan, koppel het dan gewoon opnieuw aan een ander toepasselijk leerplandoel via Beheer → Leerdoelen of Beheer → Thema's.

Geschrapt 49

Deze leerplandoelen staan niet meer in de huidige versie van het leerplan — waarvan 48 een aparte leerlijn vormen (Vlaamse Gebarentaal/Dovengemeenschap) die volledig geschrapt is.

CodeDoel
9-3.3.GK2.2De leerlingen kunnen gevoelens benoemen bij anderen in herkenbare situaties.
9-3.4.VF3.1De leerling verkent en oefent aangepaste communicatiestrategieën zoals aantikken, oogcontact maken, aandacht trekken
9-3.4.VF4.1De leerling kent het verschil tussen horend, slechthorend en doof.
9-3.4.VF4.2De leerling kan zichzelf voorstellen aan anderen als doof/slechthorend.
9-3.4.VF4.3De leerling kan op een doofbewuste manier omgaan met dagelijkse uitdagingen
9-3.4.VF4.4De leerling herkent dat sommige mensen anders horen of communiceren.
9-3.4.VF4.5De leerling kan vertellen wat hij wel/niet leuk vindt aan doof/slechthorend zijn en kan zijn gevoelens daarbij benoemen
9-3.4.VF4.6De leerling verkent en geniet van de eigen vormen van artistieke expressie als doof/slechthorende.
9-3.4.VF4.7De leerling ontdekt het gebruik van een tolk in de schoolse context.
9-3.4.VF4.8De leerling is zich bewust van de diversiteit van verschillende gezinssituaties.
9-3.4.VF4.9De leerling kent de belangrijke data die gevierd worden binnen de (Vlaamse)
9-3.4.VF5.1De leerling kent mogelijkheden om in aanraking te komen met Vlaamse gebarentaal.
9-3.4.VF5.2De leerling kent de werking van het gehoor en begrijpt de kenmerken van het eigen gehoor.
9-3.4.VF5.3De leerling weet wat geluid is en wat lichaamsgeluiden zijn
9-3.4.VF5.4De leerling kan aangeven hoe en waar hij andere doven en slechthorenden kan ontmoeten
9-3.4.VF5.5De leerling kan contact maken met met dove/slechthorende rolmodellen.
9-3.4.VF5.6De leerling kan voor-en nadelen van doof/slechthorend benoemen en zijn gevoelens daarbij benoemen
9-3.4.VF5.7De leerling begrijpt wat het betekent om doof of slechthorend te zijn en kan dit plaatsen bij zichzelf en anderen.
9-3.4.VF5.8De leerling begrijpt dat doof/slechthorend zijn een deel is van wie hij/zij is.
9-3.4.VF5.9De leerling is zich bewust van wat hem/haar helpt bij communicatie en interactie en kan dit vertellen aan een ander
9-3.4.VF5.10De leerling reageert gepast op vragen, opmerkingen en reacties van horende personen
9-3.4.VF5.11De leerling toont bereidheid om in een eenvoudige conflictsituatie met betrekking tot hun handicap te zoeken naar een oplossing.
9-3.4.VF5.12De leerling kent de actuele visie op doofheid.
9-3.4.VF5.14De leerling kan een actieve kijkhouding aannemen naar de tolk toe in functie van zijn eigen communicatieve noden.
9-3.4.VF5.15De leerling kan contacten leggen met horende mensen, is zich bewust van de verschillende communicatievormen, kan zijn noden en verwachtingen duidelijk maken en kan omgaan met alle aspecten van het tolkproces.
9-3.4.VF5.16De leerling ziet in dat onaangepaste maatschappelijke reacties tegenover doofheid meestal niet vijandig bedoeld zijn en vaak gebaseerd op onbekendheid met en vrees voor het vreemde.
9-3.4.VF5.17De leerling kan Dovencultuur plaatsen in de huidige multiculturele samenleving.
9-3.4.VF5.18De leerling weet dat er verenigingen van en voor slechthorende en dove mensen in Vlaanderen zijn.
9-3.4.VF5.19De leerling weet waarom we jaarlijks de erkenning van VGT vieren
9-3.4.VF5.20De leerling weet dat er vroeger andere gebaren werden gebruikt
9-3.4.VF5.21De leerling weet welke mogelijkheden er zijn om via sociale media in contact te komen met andere Doven en slechthorenden.
9-3.4.VF6.1De leerling herkent impliciete sociale regels binnen dove en horende communicatie.
9-3.4.VF6.2De leerling kent zijn auditief profiel en kan noden verduidelijken aan anderen.
9-3.4.VF6.3De leerling reflecteert over eigen doofheid / Doofheid en contacten met horenden.
9-3.4.VF6.4De leerling drukt eigen positieve en negatieve ervaringen, gevoelens, verlangens, gedachten en waarderingen in verband met hun doofheid / Doofheid uit.
9-3.4.VF6.5De leerling weet dat er doorheen de tijd verschillende visies op doofheid/Doofheid zijn geweest en kent de voor-en nadelen van deze visies
9-3.4.VF6.6De leerling kent het verschil tussen de socio-culturele visie op Doofheid en de medische visie op doofheid en kan hier op een respectvolle manier mee omgaan.
9-3.4.VF6.7De leerling begrijpt de verschillende aspecten van een tolkproces.
9-3.4.VF6.8De leerling kan zelf bepalen wanneer en hoe de tolk ingezet wordt in de schoolse context.
9-3.4.VF6.9De leerling werkt samen met de tolk in functie van zijn eigen noden.
9-3.4.VF6.10De leerling weet waar hij informatie kan vinden over de activiteiten voor dove en slechthorende kinderen en jongeren
9-3.4.VF6.11De leerling weet wat er leeft in de Vlaamse dovengemeenschap en krijgt hiervoor interesse a.h.v. informatie uit de actualiteit of media
9-3.4.VF6.12De leerling kent de belangenorganisaties van doven en slechthorenden in Vlaanderen en kan de verschillende visies en klemtonen illustreren.
9-3.4.VF6.13De leerling weet dat er ook op Europees en internationaal niveau organisaties zijn die opkomen voor de rechten van D/SH mensen
9-3.4.VF6.14De leerling kan illustreren op welke wijze de belangen van Vlaamse doven internationaal worden behartigd.
9-3.4.VF6.15De leerling kan illustreren op welke wijze de belangen van Vlaamse doven internationaal worden behartigd.
9-3.4.VF6.16De leerling verwoordt de betekenis van de erkenning van VGT voor de dovengemeenschap in Vlaanderen
9-3.4.VF6.17De leerling kent de grote periodes uit de dovengeschiedenis en situeert belangrijke historische figuren en gebeurtenissen waarmee ze kennis maken in de juiste tijdsperiode aan de hand van een tijdsband.
9-3.4.VF6.18De leerling illustreert technologische en sociale ontwikkelingen die het leven van doven en slechthorenden beïnvloed hebben.

Herschreven 104

De code blijft dezelfde, maar de tekst is aangepast (bv. terminologie, bereik of duidelijkere formulering).

CodeOude tekstNieuwe tekst
9-3.2.GK2.2De leerlingen kunnen gevoelens bij zichzelf onderscheiden.De leerlingen kunnen verschillen opmerken in wat zij in concrete situaties ervaren.
9-3.2.GK2.5De leerlingen kunnen herkennen wat er gebeurde waardoor zij zich nu zo voelen.De leerlingen kunnen herkennen wat een concrete situatie voor hen betekent.
9-3.2.GK2.6De leerlingen kunnen eigen sterktes en talenten benoemen. (K2)De leerlingen kunnen eigen sterktes en talenten benoemen.
9-3.2.GK2.7De leerlingen kunnen eenvoudige strategieën om met emoties en gevoelens om te gaan benoemen in herkenbare situaties.De leerlingen kunnen, in herkenbare situaties, eenvoudige strategieën benoemen hoe zij (alleen of samen met anderen) met situaties, emoties en gevoelens kunnen omgaan.
9-3.2.GK2.8De leerlingen kunnen, in concrete situaties, eenvoudige aangereikte strategieën toepassen om emoties en gevoelens te reguleren.De leerlingen kunnen, in concrete situaties, eenvoudige aangereikte strategieën toepassen om (alleen of samen met anderen) met situaties, emoties en gevoelens om te gaan.
9-3.2.GK2.9De leerlingen kunnen in vertrouwde situaties spreken wanneer het past. (K2)De leerlingen kunnen in vertrouwde situaties spreken wanneer het past.
9-3.2.GK3.3De leerlingen kunnen herkennen wat er gebeurde waardoor zij zich nu zo voelen.De leerlingen kunnen herkennen wat een concrete situatie voor hen betekent.
9-3.2.GK3.4De leerlingen kunnen eigen fysieke grenzen herkennen in concrete situaties. (K3)De leerlingen kunnen eigen fysieke grenzen herkennen in concrete situaties.
9-3.2.GK3.5De leerlingen kunnen eenvoudige strategieën om met emoties en gevoelens om te gaan benoemen in herkenbare situaties.De leerlingen kunnen, in herkenbare situaties, eenvoudige strategieën benoemen hoe zij (alleen of samen met anderen) met situaties, emoties en gevoelens kunnen omgaan.
9-3.2.GK3.6De leerlingen kunnen, in concrete situaties, eenvoudige aangereikte strategieën toepassen om emoties en gevoelens te reguleren.De leerlingen kunnen, in concrete situaties, eenvoudige aangereikte strategieën toepassen om (alleen of samen met anderen) met situaties, emoties en gevoelens om te gaan.
9-3.2.GK3.8De kleuters kunnen hun beurt afwachten. (MD)De kleuters kunnen hun beurt afwachten.
9-3.2.GK3.11De kleuters kunnen spreken en stil zijn wanneer het past. (MD)De kleuters kunnen spreken en stil zijn wanneer het past.
9-3.2.GL1.5De leerlingen kunnen aangeven welke uitgeprobeerde regulatiestrategieën hen helpen omgaan met emoties en gevoelens.De leerlingen kunnen aangeven welke uitgeprobeerde strategieën hen (alleen of samen met anderen) helpen omgaan met situaties, emoties en gevoelens.
9-3.2.GL2.5De leerlingen kunnen aangeven welke uitgeprobeerde regulatiestrategieën hen helpen omgaan met emoties en gevoelens.De leerlingen kunnen aangeven welke uitgeprobeerde strategieën hen (alleen of samen met anderen) helpen omgaan met situaties, emoties en gevoelens.
9-3.2.GL3.1De leerlingen kunnen in concrete situaties bij zichzelf verbanden leggen tussen lichamelijke signalen en gevoelens.De leerlingen kunnen in concrete situaties mogelijke verbanden leggen tussen wat er gebeurt en wat ze ervaren.
9-3.2.GL3.2De leerlingen kunnen nuances in gevoelens benoemen met een ruime woordenschat.De leerlingen kunnen ervaringen genuanceerd benoemen met een ruime woordenschat.
9-3.2.GL3.3De leerlingen kunnen uitleggen hoe gevoelens gedrag beïnvloeden.De leerlingen kunnen in concrete situaties mogelijke verbanden uitleggen tussen wat er gebeurt, wat voor hen belangrijk is, wat ze ervaren, voelen en wat ze doen.
9-3.2.GL3.6De leerlingen kunnen in herkenbare situaties passende regulatiestrategieën gebruiken.De leerlingen kunnen in herkenbare situaties passende strategieën gebruiken om (alleen of samen met anderen) met situaties, emoties en gevoelens om te gaan.
9-3.2.GL4.1De leerlingen kunnen in concrete situaties bij zichzelf verbanden leggen tussen lichamelijke signalen en gevoelens.De leerlingen kunnen in concrete situaties mogelijke verbanden leggen tussen wat er gebeurt en wat ze ervaren.
9-3.2.GL4.2De leerlingen kunnen nuances in gevoelens benoemen met een ruime woordenschat.De leerlingen kunnen ervaringen genuanceerd benoemen met een ruime woordenschat.
9-3.2.GL4.3De leerlingen kunnen uitleggen hoe gevoelens gedrag beïnvloeden.De leerlingen kunnen in concrete situaties mogelijke verbanden uitleggen tussen wat er gebeurt, wat voor hen belangrijk is, wat ze ervaren, voelen en wat ze doen.
9-3.2.GL4.8De leerlingen kunnen in herkenbare situaties passende regulatiestrategieën gebruiken.De leerlingen kunnen in herkenbare situaties passende strategieën gebruiken om (alleen of samen met anderen) met situaties, emoties en gevoelens om te gaan.
9-3.2.GL5.1De leerlingen kunnen eigen behoeften benoemen.De leerlingen kunnen in concrete situaties verwoorden wat voor henzelf belangrijk of nodig kan zijn.
9-3.2.GL5.2De leerlingen kunnen uitleggen hoe opmerken, denken, voelen en handelen elkaar beïnvloeden in concrete situaties.De leerlingen kunnen in concrete situaties uitleggen hoe wat er gebeurt, wat zij opmerken, denken, voelen, belangrijk vinden en kiezen om te doen, met elkaar samenhangen.
9-3.2.GL5.3De leerlingen kunnen mogelijke gevolgen van regulatiestrategieën uitleggen.De leerlingen kunnen mogelijke gevolgen uitleggen van verschillende strategieën om (alleen of samen met anderen) met situaties, emoties en gevoelens om te gaan.
9-3.2.GL5.4De leerlingen kunnen een passende, doelgerichte regulatiestrategie kiezen.De leerlingen kunnen een passende, doelgerichte strategie kiezen om met een situatie, emoties, gevoelens om te gaan.
9-3.2.GL6.1De leerlingen kunnen eigen behoeften benoemen.De leerlingen kunnen in concrete situaties verwoorden wat voor henzelf belangrijk of nodig kan zijn.
9-3.2.GL6.2De leerlingen kunnen uitleggen hoe gevoelens samenhangen met behoeften. (L6)De leerlingen kunnen mogelijke verbanden uitleggen tussen gevoelens, wat voor iemand belangrijk of nodig is en de situatie waarin die ontstaan.
9-3.2.GL6.3De leerlingen kunnen uitleggen hoe opmerken, denken, voelen en handelen elkaar beïnvloeden in concrete situaties.De leerlingen kunnen in concrete situaties uitleggen hoe wat er gebeurt, wat zij opmerken, denken, voelen, belangrijk vinden en kiezen om te doen, met elkaar samenhangen.
9-3.2.GL6.5De leerlingen kunnen een passende, doelgerichte regulatiestrategie kiezen.De leerlingen kunnen een passende, doelgerichte strategie kiezen om met een situatie, emoties, gevoelens om te gaan.
9-3.2.GL6.8De leerlingen kunnen doorzettingsvermogen tonen om een opdracht tot een goed einde te brengen, ook als het moeilijk wordt. (MD)De leerlingen kunnen doorzettingsvermogen tonen om een opdracht tot een goed einde te brengen, ook als het moeilijk wordt.
9-3.2.PF2.4De leerling ervaart de voor hem duidelijk ruimtelijke grenzen als een eigen plek om rust en veiligheid binnen te vinden.De leerling ervaart de voor hem/haar duidelijk ruimtelijke grenzen als een eigen plek om rust en veiligheid binnen te vinden.
9-3.3.GK2.1De leerlingen kunnen gevoelens bij anderen herkennen aan lichamelijke signalen, gezichtsuitdrukkingen en gedrag.De leerlingen kunnen (in een context) lichamelijke signalen, gezichtsuitdrukkingen en gedrag bij anderen verbinden met mogelijke betekenissen en gevoelens.
9-3.3.GK2.9De leerlingen kunnen gevoelens delen met vertrouwde volwassenen en medeleerlingen.De leerlingen kunnen betekenisvolle ervaringen en gevoelens delen met vertrouwde volwassenen en medeleerlingen.
9-3.3.GK2.10De leerlingen kunnen diverse strategieën verkennen om emoties en gevoelens aangepast aan de context te uiten.De leerlingen kunnen diverse strategieën verkennen om ervaringen, emoties en gevoelens aangepast aan de context te uiten.
9-3.3.GK2.11De leerlingen kunnen gevoelens verbaal en non-verbaal uiten in vertrouwde sociale situaties.De leerlingen kunnen in vertrouwde sociale situaties verbaal of non-verbaal duidelijk maken wat ze ervaren.
9-3.3.GK2.13De leerlingen kunnen naast anderen spelen waarbij speelgoed of materiaal gedeeld worden. (K2)De leerlingen kunnen naast anderen spelen waarbij speelgoed of materiaal gedeeld worden.
9-3.3.GK3.1De leerlingen kunnen gevoelens benoemen bij anderen in herkenbare situaties.De leerlingen kunnen in herkenbare situaties benoemen wat een ander mogelijk ervaart.
9-3.3.GK3.5De kleuters kunnen een aangewezen volwassene hulp vragen of aanspreken wanneer nodig. (MD)De kleuters kunnen een aangewezen volwassene hulp vragen of aanspreken wanneer nodig.
9-3.3.GK3.6De kleuters kunnen volgens de klas- en schoolafspraken vragen stellen en beantwoorden. (MD)De kleuters kunnen volgens de klas- en schoolafspraken vragen stellen en beantwoorden.
9-3.3.GK3.7De leerlingen kunnen gevoelens delen met vertrouwde volwassenen en medeleerlingen.De leerlingen kunnen betekenisvolle ervaringen en gevoelens delen met vertrouwde volwassenen en medeleerlingen.
9-3.3.GK3.8De leerlingen kunnen diverse strategieën verkennen om emoties en gevoelens aangepast aan de context te uiten.De leerlingen kunnen diverse strategieën verkennen om ervaringen, emoties en gevoelens aangepast aan de context te uiten.
9-3.3.GK3.9De leerlingen kunnen gevoelens verbaal en non-verbaal uiten, aangepast aan verschillende sociale situaties.De leerlingen kunnen in vertrouwde sociale situaties verbaal of non-verbaal duidelijk maken wat ze ervaren.
9-3.3.GK3.10De kleuters kennen een ruime woordenschat en diverse strategieën om emoties te herkennen, te uiten, te benoemen en erop te reageren. (MD)De kleuters kennen een ruime woordenschat en diverse strategieën om emoties te herkennen, te uiten, te benoemen en erop te reageren.
9-3.3.GK3.13De leerlingen kunnen volgens de klas- en schoolafspraken samen spelen. (K3)De leerlingen kunnen volgens de klas- en schoolafspraken samen spelen.
9-3.3.GK3.14De leerlingen kunnen eenvoudige spelregels volgen bij coöperatief spel. (K3)De leerlingen kunnen eenvoudige spelregels volgen bij coöperatief spel.
9-3.3.GK3.15De leerlingen kunnen in (hoeken)spel rekening houden met ideeën van anderen. (K3)De leerlingen kunnen in (hoeken)spel rekening houden met ideeën van anderen.
9-3.3.GK3.17De kleuters kunnen volgens de klas- en schoolafspraken: zelfstandig en samen werken en spelen; sociale formules hanteren, waaronder groeten, uitnodigen om mee te doen en bedanken. (MD)De kleuters kunnen volgens de klas- en schoolafspraken: zelfstandig en samen werken en spelen; sociale formules hanteren, waaronder groeten, uitnodigen om mee te doen en bedanken.
9-3.3.GK3.20De kleuters kunnen hun noden en fysieke en morele grenzen kenbaar maken. (MD)De kleuters kunnen hun noden en fysieke en morele grenzen kenbaar maken.
9-3.3.GL1.5De leerlingen kunnen gevoelens delen in een vertrouwde groep.De leerlingen kunnen betekenisvolle ervaringen en gevoelens delen in een vertrouwde groep.
9-3.3.GL1.6De leerlingen kunnen een verband verwoorden tussen een gevoel en een concrete gebeurtenis of situatie.De leerlingen kunnen een verband verwoorden tussen een situatie en een gevoel.
9-3.3.GL1.7De leerlingen kunnen frustratie of onzekerheid uiten zonder zichzelf of anderen pijn te doen.De leerlingen kunnen frustratie of onzekerheid uiten binnen school- en klasafspraken die zichzelf, anderen en materiaal beschermen.
9-3.3.GL2.5De leerlingen kunnen gevoelens delen in een vertrouwde groep.De leerlingen kunnen betekenisvolle ervaringen en gevoelens delen in een vertrouwde groep.
9-3.3.GL2.6De leerlingen kunnen een verband verwoorden tussen een gevoel en een concrete gebeurtenis of situatie.De leerlingen kunnen een verband verwoorden tussen een situatie en een gevoel.
9-3.3.GL2.7De leerlingen kunnen frustratie of onzekerheid uiten zonder zichzelf of anderen pijn te doen.De leerlingen kunnen frustratie of onzekerheid uiten binnen school- en klasafspraken die zichzelf, anderen en materiaal beschermen.
9-3.3.GL3.3De leerlingen kunnen gevoelens in eenzelfde situatie vergelijken vanuit zichzelf en anderen.De leerlingen kunnen wat ze ervaren in eenzelfde situatie vergelijken vanuit zichzelf en anderen.
9-3.3.GL3.4De leerlingen kunnen verbanden leggen tussen wat iemand denkt, voelt en doet in een concrete situatie.De leerlingen kunnen verbanden leggen tussen wat er gebeurt, wat iemand doet en wat iemand mogelijks denkt en voelt in een concrete situatie.
9-3.3.GL3.12De leerlingen kunnen hun reacties in interactie afstemmen op gevoelens van zichzelf en anderen.De leerlingen kunnen in interactie rekening houden met zichzelf, de ander, de situatie.
9-3.3.GL4.3De leerlingen kunnen gevoelens in eenzelfde situatie vergelijken vanuit zichzelf en anderen.De leerlingen kunnen wat ze ervaren in eenzelfde situatie vergelijken vanuit zichzelf en anderen.
9-3.3.GL4.4De leerlingen kunnen verbanden leggen tussen wat iemand denkt, voelt en doet in een concrete situatie.De leerlingen kunnen verbanden leggen tussen wat er gebeurt, wat iemand doet en wat iemand mogelijks denkt en voelt in een concrete situatie.
9-3.3.GL4.8De leerlingen kunnen met concrete voorbeelden uitleggen dat ervaringen, verwachtingen en beelden over anderen hun interpretatie beïnvloeden. (L4)De leerlingen kunnen met concrete voorbeelden uitleggen dat ervaringen, verwachtingen en beelden over anderen hun interpretatie beïnvloeden.
9-3.3.GL4.10De leerlingen kunnen luisteren naar wat de ander zegt en adequaat reageren. (MD)De leerlingen kunnen luisteren naar wat de ander zegt en adequaat reageren.
9-3.3.GL4.13De leerlingen kunnen aangeven wat begrepen is en wat onduidelijk is. (MD)De leerlingen kunnen aangeven wat begrepen is en wat onduidelijk is.
9-3.3.GL4.15De leerlingen kunnen frustratie of onzekerheid op een constructieve manier uiten. (MD)De leerlingen kunnen frustratie of onzekerheid uiten op een constructieve manier.
9-3.3.GL4.16De leerlingen kunnen hun reacties in interactie afstemmen op gevoelens van zichzelf en anderen.De leerlingen kunnen in interactie rekening houden met zichzelf, de ander, de situatie.
9-3.3.GL4.18De leerlingen kunnen zelfstandig, in duo en in groep werken zonder storend gedrag te vertonen. (MD)De leerlingen kunnen zelfstandig, in duo en in groep werken zonder storend gedrag te vertonen.
9-3.3.GL4.25De leerlingen kunnen onenigheid oplossen zonder fysiek geweld. (MD)De leerlingen kunnen onenigheid oplossen zonder fysiek geweld.
9-3.3.GL5.1De leerlingen kunnen uitleggen hoe gevoelens en behoeften het gedrag van mensen beïnvloeden.De leerlingen kunnen uitleggen hoe gevoelens en behoeften het gedrag van mensen kunnen beïnvloeden.
9-3.3.GL5.8De leerlingen kunnen hun waarnemingen, gevoelens, behoeften en standpunten op een respectvolle manier verwoorden.De leerlingen kunnen op verschillende respectvolle manieren verwoorden wat zij waarnemen, denken, voelen, belangrijk vinden of willen bereiken.
9-3.3.GL5.9De leerlingen kunnen hun reacties afstemmen op eigen emoties, gevoelens en behoeften en op de impact op anderen.De leerlingen kunnen hun reacties afstemmen op zichzelf, anderen en de situatie.
9-3.3.GL6.1De leerlingen kunnen uitleggen hoe gevoelens en behoeften het gedrag van mensen beïnvloeden.De leerlingen kunnen uitleggen hoe gevoelens en behoeften het gedrag van mensen kunnen beïnvloeden.
9-3.3.GL6.8De leerlingen kunnen hun waarnemingen, gevoelens, behoeften en standpunten op een respectvolle manier verwoorden.De leerlingen kunnenkunnen op verschillende respectvolle manieren verwoorden wat zij waarnemen, denken, voelen, belangrijk vinden of willen bereiken.
9-3.3.GL6.9De leerlingen kunnen hun reacties afstemmen op eigen emoties, gevoelens en behoeften en op de impact op anderen.De leerlingen kunnen hun reacties afstemmen op zichzelf, anderen en de situatie.
9-3.3.GL6.10De leerlingen kunnen positief en met vertrouwen communiceren met leeftijdsgenoten en volwassenen. (MD)De leerlingen kunnen positief en met vertrouwen communiceren met leeftijdsgenoten en volwassenen.
9-3.3.GL6.13De leerlingen kunnen een toegewezen rol binnen een groepswerk doelgericht invullen. (MD)De leerlingen kunnen een toegewezen rol binnen een groepswerk doelgericht invullen.
9-3.4.GK3.2De kleuters weten dat iedereen meetelt en uniek is, met eigen sterktes, talenten en voorkeuren. (MD)De kleuters weten dat iedereen meetelt en uniek is, met eigen sterktes, talenten en voorkeuren.
9-3.4.GK3.3De kleuters kunnen gelijkenissen benoemen tussen mensen. (MD)De kleuters kunnen gelijkenissen benoemen tussen mensen.
9-3.4.GK3.5De kleuters weten dat mensen kunnen verschillen in sekse, etniciteit, geloof, uiterlijk en geaardheid. (MD)De kleuters weten dat mensen kunnen verschillen in sekse, etniciteit, geloof, uiterlijk en geaardheid.
9-3.4.GK3.8De kleuters kunnen respectvol omgaan met verschillen tussen mensen in hun omgeving en op school. (MD)De kleuters kunnen respectvol omgaan met verschillen tussen mensen in hun omgeving en op school.
9-3.4.GL4.2De leerlingen kennen de volgende begrippen: racisme, discriminatie en diversiteit. (MD)De leerlingen kennen de volgende begrippen: racisme, discriminatie en diversiteit.
9-3.4.GL4.5De leerlingen weten dat persoonlijke identiteit een gelaagd en dynamisch karakter heeft. (MD)De leerlingen weten dat persoonlijke identiteit een gelaagd en dynamisch karakter heeft.
9-3.4.GL4.7De leerlingen weten hoe racisme en discriminatie mensen schaadt. (MD)De leerlingen weten hoe racisme en discriminatie mensen schaadt.
9-3.4.GL4.8De leerlingen kunnen positieve en negatieve manieren van omgaan met diversiteit herkennen. (MD)De leerlingen kunnen positieve en negatieve manieren van omgaan met diversiteit herkennen.
9-3.4.GL4.9De leerlingen kennen hun voornaamste rechten en plichten onder het VN-kinderrechtenverdrag, waaronder recht op onderwijs, privacy, vrije tijd, eigen identiteit, veiligheid en bescherming. (MD)De leerlingen kennen hun voornaamste rechten en plichten onder het VN-kinderrechtenverdrag, waaronder: recht op onderwijs; privacy; vrije tijd; recht op eigen identiteit; recht op veiligheid en bescherming.
9-3.4.GL4.10De leerlingen weten dat volwassenen met de belangen van kinderen rekening moeten houden. (MD)De leerlingen weten dat volwassenen met de belangen van kinderen rekening moeten houden.
9-3.4.GL4.11De leerlingen kunnen in hun eigen leefwereld herkennen hoe kinderrechten gewaarborgd of geschonden worden. (MD)De leerlingen kunnen in hun eigen leefwereld herkennen hoe kinderrechten gewaarborgd of geschonden worden.
9-3.4.GL4.17De leerlingen kunnen incidenten van racisme en discriminatie aangeven aan een verantwoordelijke volwassene. (MD)De leerlingen kunnen incidenten van racisme en discriminatie aangeven aan een verantwoordelijke volwassene.
9-3.4.GL4.19De leerlingen weten dat het belangrijk is om de eigen grenzen aan te geven en te bewaken en de grenzen van anderen te respecteren. (MD)De leerlingen weten dat het belangrijk is om de eigen grenzen aan te geven en te bewaken en de grenzen van anderen te respecteren.
9-3.4.GL6.2De leerlingen kennen de erkende symbolen van de Vlaamse gemeenschap (feestdag, vlag, wapen, memoriaal en volkslied). (MD)De leerlingen kennen de erkende symbolen van de Vlaamse gemeenschap (feestdag, vlag, wapen, memoriaal en volkslied).
9-3.4.GL6.3De leerlingen kennen de volgende begrippen: het vooroordeel, de gelijkwaardigheid. (MD)De leerlingen kennen de volgende begrippen: het vooroordeel, de gelijkwaardigheid.
9-3.4.GL6.6De leerlingen kunnen analyseren hoe discriminatie ontstaat. (L6)De leerlingen kunnen analyseren hoe discriminatie ontstaat.
9-3.4.GL6.7De leerlingen weten hoe racisme en discriminatie in de (sociale) media voorkomen. (MD)De leerlingen weten hoe racisme en discriminatie in de (sociale) media voorkomen.
9-3.4.GL6.8De leerlingen weten dat collectieve identiteit een gelaagd en dynamisch karakter heeft. (MD)De leerlingen weten dat collectieve identiteit een gelaagd en dynamisch karakter heeft.
9-3.4.GL6.10De leerlingen kunnen illustreren hoe diversiteit het samenleven verrijkend en uitdagend maakt. (MD)De leerlingen kunnen illustreren hoe diversiteit het samenleven verrijkend en uitdagend maakt.
9-3.4.GL6.12De leerlingen kennen de Belgische federale staatsstructuur met drie gemeenschappen (Vlaams, Frans en Duitstalig) en drie gewesten (Vlaams, Waals en Brussels Hoofdstedelijk). Ze weten dat elk een eigen bestuur heeft waar beslissingen worden genomen. (MD)De leerlingen kennen de Belgische federale staatsstructuur met drie gemeenschappen (Vlaams, Frans en Duitstalig) en drie gewesten (Vlaams, Waals en Brussels Hoofdstedelijk). Ze weten dat elk een eigen bestuur heeft waar beslissingen worden genomen.
9-3.4.GL6.13De leerlingen kennen organisaties die zich inzetten voor kinder- en mensenrechten. (MD)De leerlingen kennen organisaties die zich inzetten voor kinder- en mensenrechten.
9-3.4.GL6.14De leerlingen weten wat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens is. (MD)De leerlingen weten wat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens is.
9-3.4.GL6.15De leerlingen weten hoe mensenrechten en kinderrechten zich tot elkaar verhouden. (MD)De leerlingen weten hoe mensenrechten en kinderrechten zich tot elkaar verhouden.
9-3.4.GL6.16De leerlingen kunnen illustreren hoe kinder- en mensenrechten in de maatschappij geschonden worden en hoe mensen voor deze rechten strijd voeren. (MD)De leerlingen kunnen illustreren hoe kinder- en mensenrechten in de maatschappij geschonden worden en hoe mensen voor deze rechten strijd voeren.
9-3.4.GL6.19De leerlingen weten hoe gepast te reageren op plagen en pesten. (MD)De leerlingen weten hoe gepast te reageren op plagen en pesten.
9-3.4.GL6.22De leerlingen weten hoe te interageren in balans met eigenwaarde en de grenzen van anderen. (MD)De leerlingen weten hoe te interageren in balans met eigenwaarde en de grenzen van anderen.
9-3.4.GL6.24De leerlingen weten dat een seksuele relatie enkel kan opgebouwd worden met wederzijdse toestemming. (MD)De leerlingen weten dat een seksuele relatie enkel kan opgebouwd worden met wederzijdse toestemming.
9-3.4.GL6.26De leerlingen weten dat ze (seksueel) grensoverschrijdend gedrag moeten melden aan een verantwoordelijke volwassene. (MD)De leerlingen weten dat ze (seksueel) grensoverschrijdend gedrag moeten melden aan een verantwoordelijke volwassene.
9-3.4.SF6.16De leerling weet dat grensoverschrijdend gedrag niet geheim gehouden mag worden.De leerling weet dat grensoverschrijdend gedrag niet geheim gehouden mag worden.
📅 Vergeleken: leerplanversie van 05/08/2026 → 16/09/2026 (Op·stap, leerplanversie V1.2)
✅ Geen wijzigingen voor dit vak in deze leerplan-update.
📅 Vergeleken: leerplanversie van 05/08/2026 → 16/09/2026 (Op·stap, leerplanversie V1.2)
✅ Geen wijzigingen voor dit vak in deze leerplan-update.